elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: grootknecht

grootknecht , [de eerste knecht] , grootknecht , de eerste knecht in eene boerderij, en zoo ook: grootmaid. Dr.Landr. (1712) III, p 87: doch zo een grootKnecht of Meyt ten tijde van den Hooi of Bouw mogte ziek zijn, enz. op den grootknecht volgen middenknecht en de kleinknecht of jongen. Het HD. heeft alle drie benamingen. Gron. grootknecht duidt de kwaliteit aan; groote knecht den rang dien hij als knecht op eene boerderij inneemt. De tweede heet middelste, de derde, soms ook de vierde, in allen gevalle de laagste, lutje knecht, of: schoapvent, schoapjong, of zwienejong, ook schoapmelker.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
grootknecht , grootknecht , (met den klemtoon op knecht) = de eerste knecht van een boer (ook Drentsch), wat eene kwaliteit aanduidt; groote knecht geeft den rang te kennen, dien hij als knecht op eene boerderij inneemt. Zoo heet de tweede middelste, de derde lutje knecht, klainknecht, en zijn er niet meer dan drie, ook: schoapvent, schoapjong (Ommelanden) = swienjōng (Oldampt), ook alleen: darde. Kan een jongen den ploeg besturen, wordt hem de ploeg toevertrouwd, dan eerst heeft deze aanspraak op den naam van: knecht. Zeeland groote knecht, tweede knecht, en: derde knecht, ook: knevelsteker; Oostfriesch grotknecht = de eerste, de oudste knecht, Hoogduitsch Grossknecht.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
grootknecht , grootknecht* , vergel. vent * l, Hoogduitsch Grossknecht.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
grootknecht , grootknecht , de , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) = eerste knecht De grootknecht kan de boerderij net zo goed regeln as de boer (Eex), Een boer met tien keuien haar vrouger een grootknecht, een klainknecht en een maid (Pei), zie ook bovenknecht
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal