elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gruwel

gruwel , gruël , een soort van brei van gepelde gerst met een scheut azijn er in.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
gruwel , griuwel , (mannelijk) , gruwel.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
gruwel , gruwel , (vrouwelijk) , gruwel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gruwel , grîuwel , De grîuwel g(i)eet mîn aover de grauwel bet.: Ik huiver (bij ’t vernemen van iets ijselijks, of bij de gedachte daaraan). Ook wordt ’t gezegd, wanneer men rilt van de kou of bij ’t hooren van een onaangenaam geluid b.v. ’t scherpen van een zaag.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
gruwel , grouel , en grouwel, zie griezel * en vergel. het Hoogduitsche werkwoord “grauen” = huiveren, en evenzoo het zelfstandig naamwoord “Graven” = huivering.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
gruwel , grîuwel , De grîuwel, grîzel, g(i)eet mîn aover de grauwel, grazzel, bet.: Ik huiver (bij het vernemen van iets ijselijks, of bij de gedachte daaraan). Ook wordt het gezegd, wanneer men rilt van de kou of bij het hooren van een onaangenaam geluid, bv. het scherpen van een zaag.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
gruwel , grouwel , zelfstandig naamwoord de , Verouderd voor gruwel. Vgl. Fries grouwel.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gruwel , grouwel , grouwe, grauwel, gruwel, grieuwel , grouwels, gruwels , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook grouwe (Zuidwest-Drenthe, noord, Veenkoloniën), grauwel(Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), gruwel, grieuwel (wb:Kop van Drenthe) = rilling, huivering De grouwel geit mie over de hoed (wb), soms rug, lichaam in verbindingen als De griezel löp mij aover de grouwel (Mep), De gruwel gung mij over de grouwel (Bor), ...grouwe (Vtm), De gruwels leupen mij over de grouwels (Nam), Toen ik dat zaag, gunk mij de gruwel deur de huud (Ass), De gruwel gung mij over de grouwel de rillingen liepen me over de rug (Dwi), zie ook griezel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gruwel , gruwel , zelfstandig naamwoord , de 1. rilling, huivering 2. waarvan men gruwt, in verb.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gruwel , krewwel , zelfstandig naamwoord mannelijk , krewwele , krewwelke , misvormd , (misvormde vrucht of misvormd dier) krewwel
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
gruwel , [koudslachter] , gruwel , koudslachter (slachter van dode dieren), vilder (Apeldoorn).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
gruwel , graawel , zelfstandig naamwoord , Henk van Rijen –  gruwel
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal