elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ha

ha , hah! , uitroep van afkeer of tegenzin.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
ha , ha , tussenwerpsel , 1. uitroep van genoegen Ha, daor komt hij an (Ass), Ha, wij kriegt riestebrei mit broene suker (Ruw), Ha, ik heb je lekker te pakken (Eex) 2. bah Ha, hoe kuj dat goed toch eten (Sle), Ha, daor kaokt mij de soep aover (Ruw), Ha, wat bi’j toch een motvarken, ruum op die boel (Bro), Ha, wat is dat ja vies waark (Rod), Ha, ba, ik griepe net mit de vingers in de kattestront (Zdw), zie ook ba 3. schampere uitroep Ik vertelde hum wat en do zeei e van ha, ha, ha (Bov), Ha, ha, laot mij niet lachen (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal