elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hakketakkerij

hakketakkerij , hakketakkerei , twist, oneenigheid, ruzie, kibbelarij, ook hikhakkerei, maar dan enkel woordentwist, kibbelarij, waarvan de verbastering kikkakkerei, evenals: kikkakken; voor: hikhakken, en: kikkak, voor: hikhak = kibbelaar. Overijselsch hakketakken = kibbelen, ’t oneens zijn, bij Kil. = twisten, krakeelen; tagger, nog in Limburg bekend; in Zuid-Nederlandsch taggen = twisten; (v. Dale: hakketeeren = kibbelen, krakeelen.) Vgl. het elders voorkomende hikketakkerij, en: hissebisserij, alsmede de redupl. himphamp, koeskas, poespas, fikfakkerij, flikflooien, viezevazen, wisjewasje, enz. Zie: dikdakken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hakketakkerij , hakketakkerij* , vergel. hij v. Dale: harrewarrerij en hassebasserij, in andere streken: hikketakkerij en hissebisserij; vergel. ook de reduplicatieʼs: “halterkwalter”, “henterdetwenter” “himphamp”, “koeskas”. “poespas” en verder: fikfakkerij, flikflooien, kiskassen, viezevazen, wissewasjes, enz. enz.; zie vooral dikdakken *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal