elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hompel

hompel , hompel , (hòmpǝl) , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Iemand die mank gaat, hompelaar. Vgl. Ned. hompelen. || ’t Is ’en hompel. – In de 17de e. ook als bijnaam. || Gestorven Piet(e)r Egbertsz. Hompel, Journ. Caeskoper, 5 Mrt. 1697.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hompel , hampel* , Hoogduitsch Hampelmann = marionet.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
hompel , hampel , 1. een kreupele. 2. sul
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal