elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: handen

handen , handen , zie: loenen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
handen , handjen en tandjen , tautologie = naar iets hunkeren, onophoudelijk op iets aandringen, voortdurend naar iets streven. Eigenlijk zooveel als: de hand en de tand naar iets uitstrekken. Vgl. tandjen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
handen , handen , (werkwoord) = handig kunnen doen; ’t handt hōm goud = hij heeft er goed den slag van, en = ’t stait hōm vleeg, wanneer het een werktuigelijken arbeid betreft; hij wil wel lachen moar ’t handt hōm niks = het schaterlachen gaat hem niet goed af, het mist den gullen klank; ’t handt mie zoo beter, zegt de vrijer en keert zijn stoel om (aan de rechterzijde van het meisje). Vergelijking: ’t handt hōm as ’n mōt ’t haspêln = het staat hem zeer onhandig, hij heeft er in ’t geheel den slag niet van; ook Drentsch (Vgl. v. Dale art. handen.) – Ook = behagen, bevallen, lust toe gevoelen; ’t handt hōm nijt = ’t hoagt hōm nijt = hij het ’r gijn stried an = ’t loent hōm nijt = hij gevoelt er geen lust toe, of: hij doet het met tegenzin. Kil. handen = behagen, bevallen; Noord-Brabant handen = gelegen komen. – Als zelfstandig naamwoord in de zegswijs: handen stil, tanden stil, bij v. Dale: liggen de handen dan liggen de tanden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
handen , handen* , bij v. Dale = gemakkelijk zijn in ʼt gebruik.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
handen , handjen , zie tandjen * (bldz. 568.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
handen , haonden , Dät haondt mi neit: daar sta ik onhandig tegenover
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
handen , handen , zwak werkwoord, onpersoonlijk , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook haanden (Zuidwest-Drenthe) = handen Dat wark dat handt mij niet (Klv), Zo’n haomer handt mai wel (Row), Dat handt mij niet met de rechterhaand, ik moet de vörk in de linker hebben (Sle), Jochem zee altied: As het je niet handt is het net, oj achtersteveur bai taofel zitten te eten (Eev), zie ook handeln II, handigen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
handen , hanne , werkwoord , hande, gehand , handig , (handig zijn in)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
handen , [ergens handig in zijn] , hanje , henje , hantj, handje, gehandj, hentj, hendje, g , ergens handig in zijn , Det hantj ’m waal.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
handen , hanje , werkwoord , hanjtj, hanjdje, gehanjdj , goed afgaan: det hanjtj mich good – dat gaat me goed af ook veuge
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal