elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: heers

heers , heers , hirs, heerze , Hanepoot, Aegopodium Podagraria, een der lastigste onkruiden, die vooral in de schaduw aan heggen, enz. voortteelt en door zijne ver voortkruipende wortelsprieten zeer vermenigvuldigt en moeilijk is uit te roeien. v. Hall. Neerl. Plantensch. p. 90. (Bij Weil. en Laurm.: heerse, heers = gierst, Hoogduitsch Hirsen; – in Ditmarssum heers een zeker kruid dat in het Bremensche geerselen, in Holsteinsch jörs heet; Kil. herse, hirse, hirs = milium. Bij v. Hall p. 248 is: heerze = eetbare gierst, Panicum maliacum.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
heers , hirs , zie heers *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal