elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hoedjebal

hoedjebal , houdjeballen* , vgl. hij v. Dale (4e druk): hoedjebal.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
hoedjebal , hoedjebal , hoedtiebal, hoedtien-in , het , (Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook hoedtiebal (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), hoedtien-in (Wsv) = hoedjebal, kinderspel met meerdere varianten, bijv. ‘De petten of hoeden lagen op een rij tegen de muur. Een van de spelers probeerde vanaf de meet een kaatsbal in een van de petten te gooien. Lukte dat, dan moest de eigenaar van de pet proberen de gooier te tikken’ (Row), ‘Er werden bijv. 6 petten neergelegd. Zes meisjes moesten dan in de petten proberen te gooien. Gooide nr. 1 bijv. in de pet van nr. 3, dan moest ze vlug de bal pakken en proberen meisje nr. 3 met de bal te raken’ (Noo) *Hoedjebal / Ik heb dij al / In eein haand / In beide haand / Van klepperdeklap flipperdeflap / Van voetjegestap / Roer om de brij / Ik zit der bij / Ik gao niet in ’t rond / Al met mijn mond / Blik ik zo zacht / Klets mij de bal tegen de muur an gezongen bij het kaatseballen (Eex), zie ook pettiengooien
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal