elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hotteren

hotteren , hutteren , hunselen = doorëen schudden.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
hotteren , hottern , ottern , in ’t Goorecht ottern, en: hottern, in de Veenkoloniën ottern = hevig kibbelen, de stem bij een twist sterk verheffen en rad praten, inzonderheid van vrouwen. Ook = haffêln, (zie aldaar); “dat mens hotrt maor in ain stok deur”; dei boerenmaiden loopen te hottêrn en te schottêrn (alliteratie) Vgl. ’t Hoogduitsche hadern = twisten, kijven.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hotteren , hottern* , Hoogduitsch hadern.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
hotteren , huttere , wiebelen , Piere vur te visse vang'de dur'ne riek in de grónd te stèèke én wa te huttere. Wormen om te vissen, vang je door een riek in de grond te steken en wat te wiebelen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
hotteren , huttere , werkwoord , hutter, hutterde, gehutterd , [O] lukken; ’t Zel zeker nog wel huttere Het zal zeker nog wel lukken
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
hotteren , huttere , werkwoord , knoeien (Helmond en Peelland); huttere; wiebelen (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
hotteren , huttere , wiebelen
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal