elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hozenvoetling

hozenvoetling , [voeteinde van een kous] , hozevötling , voeteinde eener kous, Overijs. hoazenveutlinge. Gron. hozevötels, vötels, vötlingen, hozenvuilings, vodlings = zokken, die over kousen in klompen gedragen worden. Evenwel: op hozevötels loopen = geen schoeisel aan hebben; Oostfr. fö̂tling, fö̂dling. Zal letterlijk zijn: de voetling (het tot den voet behoorende deel) eener kous. Zie kousvötling.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
hozenvoetling , hozevötels , hozenvuilings , vötels (Oldampt, Westerwolde) = hozevödels, vödels (Hunsegoo, enz.) = hozenvuilings (Marne) = votlingen; bij Laurm. vodlings = zokken die over kousen in klompen gedragen worden; op hozevötels loopen = zonder schoeisel aan de voeten, waarvoor ook: op bloode vouten, Nederlandsch op kousenvoeten; ijn op hozevötels (of: op hooszokken, ook: op zokken) loopen loaten, spottend voor: onhoorbaar een wind laten. Drentsch hozevötling, kousvötling; Friesch hoosvoetlingen = sokken; Overijselsch haozenveutlinge = voeteinde der kous; op vordevoeten, hozevoeten, kousevoeten = zonder schoenen, enz.; Oostfriesch fȫtling, fȫdling, fȫddelk, fȫddel, ook: hâssokke = voeteinde eener kous; Holsteinsch up hasensokken gaan. – vötels, zooveel als: voetlingen, tot den voet behoorende; hozevötels, eigenlijk het voetengedeelte eener kous.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hozenvoetling , hozevötels* , Nederlandsch (doch niet bij van Dale) op kousenvoeten (zie bldz. 528.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
hozenvoetling , huaazenvötleke , kousevoeten. Op huaazenvötleke loopen.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
hozenvoetling , hozevötling , hozevöttings, hozevudlijks, hozevörken, hozevörrel , de , Var. als bij vötling, daarnaast (in meerv.) hozevöttings (Zuidoost-Drents zandgebied), hozevudlijks, hozevörken (Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe), hozevörrels (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), hozevottels (Zuidwest-Drenthe, noord), hozevoddels (Zuidwest-Drenthe, noord), hozewortels (Zuidwest-Drenthe, noord), hozewörtels (N:Sle) = voeten van de kous Loop niet aaid op hozevöddels,... hoosvörken over deel, trek toch wat um voouten (Eex), Wie gooien de klompen achteruut en den op hozevöddels der achter aan (Vtm), Hozevöddels um de hals tegen verkooldheid (Pdh), zie ook vördel, vötling
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal