elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hun

hun , huune , groote lompe man.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
hun , hun , bezittelijk voornaamwoord 3e persoon meervoud
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
hun , n , in: met ’n drieën = met hun drieën..
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
hun , [grote, lompe kerel] , hü̂ne , (mannelijk) , groote, lompe kerel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hun , ’n , voor “hun” of “z’n”: mit ’n baiden = met hun beiden; vgl. nander *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
hun , hunnie , Dè’s van hunnie. Dat is van hen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
hun , hun , hunnie , persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord , Hun, hen, ook: zij. | Ik hew ’t hun vroegen. Hei je hun nag zien? Is dat hun huis? Hun doene ’t zelf ok. Opmerking: hun en de variant hunnie, hull(i)e, worden ook wel als wederkerend voornaamwoord gebezigd. | Ze vergiste hun. Ze verkleidde hullie enz. Ze hewwe hun vergist.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hun , eur , hun.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
hun , hun , persoonlijk voornaamwoord , derde pers. plur. (Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën) = aan hen Ik heb het hun egeven (Nije), zie ook hèur
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hun , hön , persoonlijk voornaamwoord , hun , VB: Ich heb 't hön gezaag.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
hun , hönne , bezittelijk voornaamwoord , hön , hun , hönne (vóór mann. woord: hönne maan); hön (voor vr., onz, en mv.: hon vroûw, hön keend, hön keender)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
hun , unnie , un , (persoonlijk voornaamwoord, bezittelijk voornaamwoord) , hun. Dät is un(nie) uus.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
hun , eur , eurluu , (bezittelijk voornaamwoord, persoonlijk voornaamwoord) , hun.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
hun , eur , eurluu , (bezittelijk voornaamwoord, persoonlijk voornaamwoord) , hun.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
hun , hullie , voornaamwoord , hen, hun (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
hun , höllie , persoonsvorm, bezittelijk voornaamwoord , "hun, hen; Cees Robben – Höllie taante Sjoow... (19600219); Henk van Rijen: zóllie verdiene meer op öllie, as göllie op höllie; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HÖLLIE, HÖLLE(N), vrnw. en bvw. Datief of accusatief van 'zöllie'; (zijlie) - hun, ze; ook bijv. w. : Höllie deur was vast.; hullie; hun, hen; Zódde hullie hullieën hakdòl nie teruggeeve? - Zou je hun hun priktol niet teruggeven?; R.J. 'deh hùllieën vadder men nie' ziet'; Flaneur (pseudoniem van Antoon Arts) - “Ja, die jongens van Flaneur waren rakkers, maar wat ze zeker nooit aan “hullië pa"" hebben durven vertellen is, dat ze gingen “vuurke stooke"" in den “Ekker aachter moeder van Lierup"" waar de koeien in de „waai"" stonden (nu de Mariastraat) en dat ze dat “vuurke"" stookten met “solfter""... (Uit: Zonder opschrift; Nieuwe Tilburgsche Courant zaterdag 16 april 1904); Cees Robben – Vlee jaor hebbe wij hullie ’n kaortje gestuurd mar zullie ons nie... (19801031); Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): hullieje mónd is drêûg van den dorst; Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ik zèè blij dèk nie meej hullie meegegaon zèè; Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): hullieje vader heetem zis jaor laank nòr school laote gaon; Hullie waren ok nie op school. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007); Hullie, [de ouders] of liever zij, [de moeder] maokte den dienst èùt. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007); Boutkan: (blz.59) hullie bruur, hulliejen oopaa, hullie/hullieje paa; Hullië pa waar in ieder geval wel veul van hèùs. (Jos Naaijkens; ‘Vruuger bij ons in de Mister Stormstraot’; CuBra, ca 2005); Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HULLIE, HOELIE - steenkool (!); Jan Naaijkens, Dès Biks (1992) - hullie vn - hun, hen"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal