elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ij

ij , ij , wordt altijd uitgesproken als lange í. In de uitspraak is dikwerf onderscheid te hooren tusschen ii en ie, in het eerste merkt men alleen de i-klank op, in het tweede die van i met de stomme e.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
ij , ie , Woorden met ie, die in ’t Nederlandsch ij hebben (ook de afleidsels en samenstellingen); aksiens (accijns), altied, andievie, aptiet, àzien; Berlien, bertiek (beddetijk), beswieken, beswiemen, bie, biebel, biel, biester, bieten, biezunder, bliede, blieken, blieven, Brunswiek; ciefer; denkwieze, destieds, dewiel, dezien, diek, diezig, drieven; fien, fiet (of: viet), Frankriek; geliek, gerief, gerieven, giebeln (v. Dale gijbelen), giek, glieden, grienen, griepen, gries; Harderwiek (Kalkwiek, Omlanderwiek, enz.), hemelriek, hiezen (hijschen); iedel, ieken, ieker, ielen, iem, iepern (ijp, olm), ies, Iesel, iesêlk, iever, iezegrim, iezel, iezen, inlieven; kieken, kieven, kniepen, kniesoor, krieg (oorlog), kriegen,kriet, krieten, kwanswies, kwiel, kwienen, kwiet; lankwielig, lief (buik, en: lichaam); liefrente, liek (lijk en: gelijk), lieken (lijken, gelijken), lien, liene, liester; marlientou (marlijn), meedsien, meetsien (medicijn), midlerwiel, mie, mieden, miel, miemern, mien (mijn; – mijne), miet; mienen, misdrief; nied, niedig; ondermienen, onderwiel, onderwies, ongeriemd, ontbiet, onverwield, Oostenriek, Overiesel; pàràdies, partiedîg, piejekker, piel, pielter (pijler), pien, piep (of: piepe), praktiek, pries, priezen (werkwoord en zelfstandig naamwoord); rieden, rieder (ook geldstuk), rieg (rij), riek (zelfstandig naamwoord en bijvoeglijk naamwoord), riem, riemen, riep, riepen (werkwoord), ries (rijs en rijst), rieten, riezen; schief, schien, schieten, schrieven, siepêln (zijpelen), Sleeswiek, sliek, sliem, sliepen, slieten, slieter, smieten, snieden, snieder, spiel, spies, spiet, spieten, stief, stiel, Stientje, stieven, stried, strieden, striekdeken, strieken, striekgeld, striekiezer, striekstok, tepiet, termien, terwiel, tied, tieden (tijden, tijding, en tijgen), tieger, Trientje, twiefel; vêrnien, verbiestêrn, verbrieseln, verdwienen, veriedêln; verwiedêrn, verwiet, vief (of: vieve), vieg (of: viege), viel (of: viele = vijl), vielen (werkwoord en zelfstandig naamwoord), viet, viever, viezel, vliet, vrieven (wrijven); wie, wied, wief, wiek (buurt), wieken (werkwoord), wien, wies, wieze, wiezen, wiezer (zelfstandig naamwoord); zekerliek (en zoo alle woorden met dien uitgang), zied (kant), ook in: wied en zied; ziede (kant, en: stof), zieden (bijvoeglijk naamwoord), ziegen (zijgen), ziel (zijl, sluis), zien (zijn, zijne), zwiegen (of: swiegen), zwien (of: swien). – Op den regel dat de ij hier overal als ie luidt, zijn o.a. de volgende uitzonderingen: In de stad zegt men: wij, hij, zij, mij, bij, brij, vrij (zie Auwen T.M. IV, bl. 666); bijzonder = bezunder, bijen = beien; dijen = deien; vrijen = vreien; algemeen: brij = brei, en: vrij = vrei; – vijand = veiand; slij = slei; pij = pei; vlijen = vleien. Voorts wordt de uitgang ij in: bakkerij, maatschappij, enz. als ei uitgesproken: bakkerei, moatschappei, enz. Eindelijk: de 2e en 3e persoon enkelvoud der werkwoord: blijven, drijven, enz. waar de ij in i (onvolk.) verandert; zie: ie 2. (Hier zij nog opgemerkt: stiekel = stekel; iegelswien = echel, stekelvarken, fiemeln = femelen, alsmede dat enkele woorden als in het Nederlandsch worden uitgesproken: bier (Ommelanden), hier, kienen, klier, gier, gieren, ieder, lier, liederliek (liederlijk), mier, spier, stier, tien, tieren, vieren, zeewier, zier, zwieren.)
Bij de volgende werkwoorden gaat de ie (Nederlandsch ij) in den 2e en 3e persoon enkelvoud over in onvolkomen i: blieven; doe blifst, hij blift; – drieven; drifst, drift; – kieken; kikst, kikt; – griepen; gripst, gript; – krieten (schreien); kritst, krit; – kniepen; knipst, knipt; – glieden; glidst, glid; – kriegen; krigst, krigt; – lieden; lidst, lid; – miegen; migst, migt; – priezen; prist, prist; – rieden; ridst, ridt; – riezen; rist, rist; – smieten; smitst, smit; – sliepen; slipst, slipt; – strieken; strikst, strikt; strieden; stridst, stridt; – stieven; stifst, stift; – verwieten; verwitst, verwit; – swiegen; swigst, swigt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ij , ei , Woorden met ei die in ’t Nederlandsch ij hebben: vrei (vrij); vreien (vrijen); vreier (vrijer); pei (pij); reien (rijgen); in lei (in lij); tei (tij); brei (brij); bei (bij, zelfstandig naamwoord).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ij , ij* , klinkt meestal gerekt (als: aai) in ’t echte – zeer onwelluidende! – Stad-Groningsch, vooral in den mond van vrouwen, ook in de woorden: hij, zij, bij, mij, wij, zooals die voorkomen op bldz. 480 I reg. 26 en 27; in Hunsego zie = zij.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
IJ , IJ , ’t IJ het IJ
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal