elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: jeuken

jeuken , euken , voor jeuken. Euksel voor jeuking.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
jeuken , jö̀kken , jeuken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
jeuken , jeuken , bedrijvend (Ommelanden), voor: krauwen of wrijven op plaatsen waar men jeukte heeft, en niet zoo zeer om die te verdrijven, als wel omdat men het aangenaam vindt. (Wordt in die beteekenis weinig anders gehoord dan in de kinderwereld.) Zegswijs: doar jeukt hōm ’t juust = daar juist scheelt het hem, en fig.: daar zit hem de knoop; den zellen mie de koezen nijt meer jeuken = dan zal ik reeds lang dood zijn; “Maar dei ruksdoalder jeukt mie doch wel wat in de buutse.” Hoogduitsch sich jucken = zich krabben; wegjucken = door krabben verdrijven.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
jeuken , jeuken* , Hoogduitsch sich jucken = zich krabben, zoo ook wegjucken (o.a. bij Goethe in Faust) = door krabben verjagen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
jeuken , jökken , zwak werkwoord , jeuken
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
jeuken , jùkng , jukng , werkwoord, zwak , jeuken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
jeuken , jeuke , jeukde, haet gejeuk , jeuken. Hae wit neit, waat ’m jeuk: hij weet niet, waar de pijn zit.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
jeuken , jukse , jeuke.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
jeuken , jèùke , jeuken; ’t jökt óp minne kóp “het jeukt op mijn kop”.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
jeuken , jökken , jeuken.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
jeuken , jökken , jökken, ejökt , jeuken; * det jökt oe nie meer: daar heb je geen last meer van.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
jeuken , jokken , jeuken, juiken , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook jeuken (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), juiken (klank tussen eu en ui, Zuidoost-Drents veengebied) = jeuken Oetslag kan asmangs slim jeuken (Eex), Aj der azien op doet, is het jeuken vaak over (Sti), De wonde begunt te jokken, het zal non wal gauw zachten (Oos), De vingers begunden mie te jeuken ik wilde maar al te graag ingrijpen (Bco), ook De haanden die jokt mij (Dwi), Dan jokken mij de koezen niet meer dat beleef ik niet meer, dan ben al dood (Mep), IJ krabt waor het je niet jokt gezegd bij rooien of harken (Sle), Wij kriegt gauw braandewien, want de neuze jokt mij (Hav), De mage begunt mij te jokken ik krijg trek (Pes), ’t Jokt mij, det wordt een goed botterjaor (Ruw), ’t Gat jokt mij, de botter wordt duur (Wap), As mien neuze jokt, dan wordt de botter duur (Hgv), Het zal mij niet jeuken zal mij een zorg zijn (Mep) 2. krabben (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) Jeuk mij is even midden op de rugge, ik kan er net zölf niet bij (Nam), As kiender deden wij dit jokken mit ’n jokstien (Smi) *O mouder Marij, wat jeukt mie de knei. Och kind, wat zol dat, dat heb ik net zo had (Vtm); As je de ... jokt, ligt er een hoer op starven (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
jeuken , euken , jeuken.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
jeuken , jeuken , juken, jûken , (Kampen) jeuken. Ook: juken (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: jûken. ’t Zal mien wat jeuken, of: ’t Zal mien de pette jeuken ‘dat zal mij een zorg zijn, dat interesseert me niet’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
jeuken , jökkn , jeuken.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
jeuken , jukt , jeukt , D’r sti geschreeve én gedrukt dég’ge krabbe meugt wór’t jukt. Er staat geschreven en gedrukt dat je krabben mag waar het jeukt. Nood breekt wet.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
jeuken , jokken , werkwoord , 1. een gevoel van jeuk geven 2. een sterke neiging hebben om met geweld in te grijpen, iets te doen, in de hanen jokken me 3. krabben tegen de jeuk 4. in lichte mate liegen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
jeuken , jokke , jukke , werkwoord , jokke, jokte, gejokt / juk, jukte, gejukt , 1. jeuken, jukken 2. krabben, schuren Effe m’n rik jokke teege d’n deurpost Even met mijn rug tegen de deurpost schuren; ; jukke jeuken D’r stao’ geschreeve en gedrukt dajje mô’ klauwe waeret jukt en jukket op een raore plaes dan klauwie d’r maor naest! Er staat geschreven en gedrukt dat je moet krabben waar het jeukt en jeukt het op een rare plaats dan krab je er maar naast
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
jeuken , jôôke , werkwoord , [O] hunkeren, verlangen, ergens naar haken; [O] Asset op is, isset jôôke gedaen Het bezit van de zaak is ‘t einde van ’t vermaak (als er niets meer is is het verlangen voorbij)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
jeuken , juüke , werkwoord , juükde, gejuük , jeuken , VB: D'n trikkoo juük mich.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
jeuken , juuweke , jeuken
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
jeuken , juuke , jeuken.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
jeuken , jökken , (werkwoord) , jökken, ejökt , jeuken. Uitdr.: IJ krabt em wöört em niet jökt ‘hij zit in verlegenheid’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
jeuken , juuke , juuk , jeuken , ’t juukt = het jeukt- ééj, juuket omda ge zo krabt = , jeukt het omdat je zo krabt-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
jeuken , jeuke , jukt gejukt , jeuken , D’r stò geschrivve én gedrukt, ge moet krabbe wor ’t jukt. Er staat geschreven en gedrukt, je moet krabben waar het jeukt.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
jeuken , juueke , juuektj, juuekdje, gejuuektj , jeuken , Mien henj juueke mich óm dae rómmel dao ins op te rume!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
jeuken , juëke , werkwoord , juëktj, juëkdje, gejuëkdj , jeuken; dae kum(p)tj zich naog aan het kratse woeë het hem neet juëktj – hij zal zich op den duur nog onverwachte problemen op de hals halen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
jeuken , jeuke , juuëke , werkwoord , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); jeuken
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
jeuken , jêûke , zwak werkwoord , jeuken; Jêûk et? Jao, et jukt. - Jeukt het? Ja het jeukt. Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  daor jêûket em nie (Daamen, Handschrift 1916:) daar zit het hem niet; Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  der stao geschreeven èn gedrukt dègge moet krabbe waor et jukt; - jêûke - jukte - gejukt (met vocaalkrimping); - Ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: et jukt.; jukt(e); jeukt(e); 3e pers. tegenwoordige tijd/verleden tijd van 'jêûke', met vocaalkrimping; uitdrukking -  Der stao geschreeven èn gedrukt dègge moet krabbe waor et jukt. Henk van Rijen – jukten et ok ôok? - jeukte het inderdaad?; CiT (2) 'Juktenet okóók?'; Stadsnieuws -  Der stao geschreeven èn gedrukt dègge mot krabben as et jukt (280908)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal