elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: joelen

joelen , juien , joelen, zie jui* (blz. 530.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
joelen , jeulen , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied) = hard roepen Tegen de middag as het eterstied was, jeulden ze dat het volk hen hoes mus kommen (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
joelen , joelen , zwak werkwoord, overgankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = joelen Moej die kinder is heuren joelen op het speulplein (Dro), De vrouwlu joelden, ...De vrouwlu goelden ’t uut van ’t lachen (Flu), Ik gaf hum een trap in de kont, hij joelde het oet (Geb), ’t Joelt mij nog in de oren (Sle), De wind joelde mal deur het gat hen (Eri), Wij kriegt vaste aander weer heur de kiender ies joelen (Ruw), Een touwgien deur de knope ronddreien mit geweld en dan mor joelen (Wap), zie bij snorrebot, De bromtolle joelde over de vloere (Wei), Hol toch ies op te joelen te zingen (Sle), As der een hond joelde, gunk der iene dood, zeden de olde meinzen vroeger in Dwingel (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
joelen , joelen , joelen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
joelen , joelen , werkwoord , 1. joelen, luidruchtig tekeergaan, nl. door meerdere personen tegelijk 2. janken van een hond
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal