elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: jongejonge

jongejonge , [tussenwerpsel] , jōngers jōngers , jōngejōng!, jōng jōng! , uitroep van vreugde bij eene blijde verwachting, of van eene verzuchting, zooveel als: o! of ! en als: ach! “jōng jōng, ’t is zoo’n bezueking!” Het Gron. jōngjōng, jōngejōnge, jōngsjōngs, jōngesgod, interj. om verwondering, blijdschap, afkeuring of spijt uit te drukken.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
jongejonge , jōngjōng , jōngejōnge, jōngsjōngs, jōngesjōnges, sjōngsjōng, , zooveel als: hé! ei! foei! ach! o! nu nu! hoe komt gij er bij! enz., soort van tusschenwerpsel om blijdschap, verwondering, afkeuring of spijt uit te drukken. Drentsch jongejong, jongersjongers, uitroep van vreugde. (Zie onder art. leedig.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
jongejonge , jongejonge , jongesjongs, sjongsjong* , zie jongjong *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal