elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kaap

kaap , kaap , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Baak, vuurtoren. Algemeen Ned.; zie de wdbb. en vgl. “de Groote Caep” en “Kleyne Caep” bij Huisduinen (Kaart v. d. Uytw. Sl. 13). – Vanhier de geslachtsnaam KAPER, in de 17de e. ook VAN DE KAAP. In stukken in het archief te Krommenie komt dezelfde persoon voor onder de naam Jacob Arjans van de Kaap (a° 1698), Jacob Aryaensz. Kaper (a° 1679, 1680), Jacob Kaper (a° 1701). Waarschijnlijk woonde hij of een zijner voorouders aan de kaap aan de Wouden tegenover Krommenie. – Vgl. Kaaphoek.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kaap , kaap , zie kobbe *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kaap , kaap , in Wij gaon achter Kaap de Goede Hoop naar bed (Mep), ook ...kaap kont (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal