elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: karwij

karwij , karwij , (met klemtoon op kar) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zekere plant. Wilde komijn, Lat. Carum Carri (VAN HALL, Landh. Flora 91). De samenst. karwijzaad daarentegen heeft de hoofdtoon op wij. Zie verder de wdbb.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
karwij , kerwai* , zie ook koater *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal