elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kelen

kelen , kelen , bij Bolland kêzn = in klonters koken van melk; keelde melk geronnen melk, door afscheiding der kaasstof. Ook Oostfriesch en volgens ten Doornk. waarschijnlijk één met het Middel-Nederduitsche qualen, Hoogduitsch kallen (ofschoon zeldzaam) en beide van het nog oudere Nederduitsch quagelen; Angel-Saksisch (gi)quahlian = geronnen, en dit weder van het Latijnsche coagulum; Hoogduitsch Keller = geronnen melk. Zie aldaar art. kelen, en vgl. karrêln.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kelen , kelen* , het Hoogduitsch kallen wordt zeer zelden gebruikt, alleen Grimmʼs Wörterbuch geeft het op; vergel. ook het Hoogduitsch Keller = geronnen melk.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kelen , kelen , iets zuur worden van melk
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
kelen , kelen , zwak werkwoord, overgankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied) = maaien tegen de ligging van het gewas in Under de hals mèeien ook wal kelen (Odo), zie ook keel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kelen , kelen , werkwoord , kelen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kelen , gekéld , geslacht , Ut váéreke wier vruuger dur de slachter gekéld, 't hôj nog mér amper gekweeke. Het varken werd vroeger door de slachter gekeeld, het had bijna niet gekrijst.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kelen , kelen , werkwoord , 1. de kop afsnijden van bep. dieren 2. toppen van bomen of planten verwijderen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kelen , [groente] , keele , raapstelen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kelen , keele , raapstelen
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
kelen , kèlen , (werkwoord) , kèlen, ekèèld , kelen, slachten.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kelen , keêle , (meervoud) raapstelen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kelen , kaele , werkwoord , doden, kelen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kelen , kèèle , zwak werkwoord , H. van Rijen (1988): zuipen; H. van Rijen (1988): 'eröot kèèle' - eruit gooien; Frans Verbunt:  'kèèle' - vreten en zuipen; Stadsnieuws:  Asset mar vur niks is, dan kunne ze kèèle - Als het maar gratis is, dan weten ze van innemen. (210508)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal