elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kemenade

kemenade , kimnoa , kimnoade, kemnoade, kimnoal , hoofdvertrek van een gebouw, met name in eene aanzienlijke boerderij, dat eenige voeten boven den grondslag van het huis ligt, en waartoe een houten of zerken stoep den toegang verleent. Thans wordt het meest gebezigd voor het dwars bovenhuis eener boerenwoning, waarom men dit ook dwars kimnoa noemt. Middel-Nederlandsch kemenade = slaapvertrek; Middel-Hoogduitsch kámin, kémin, Hoogduitsch Kamin = schoorsteen, vuurhaard, Latijn caminus; kemenate, kamenate, inzonderheid slaapvertrek, ook: woonvertrek. Vgl. Latijn caminatra = steenen vertrek met een schoorsteen, en ’t Fransche cheminée.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kemenade , kimnoa* , te vergelijken met het Middelnederlandsche “kemenade” of “kemmenade” = slaapvertrek, afgeleid van ʼt Latijnsche caminus, Fransch cheminée, Hoogduitsch Kamin.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal