elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: Kenau

Kenau , Kenau , als kwalificatieve eigennaam uit onze geschiedenis, in: da’s ’n Kenau van ’n maid = een meisje dat moed en vastberadenheid toont te bezitten. Dien naam verdiende ten volle Marchien Pijlmel, tot 1843 schoolhouderes te Veendam, die als dienstmeid te Groningen eene brandende kaars uit een vat met kruit haalde, welke de werkvrouw daarin had neergezet, in de meening dat het raapzaad was, en zich daarop van den zolder had verwijderd. Die heldendaad werd met den besten uitslag bekroond. – Zeer gewoon is het om een buitengewoon groot man met den naam Goliath te bestempelen; ook heeft een beroemd harddraver dien gedragen; ’n Doavid (David) beteekent zooveel als: een baas, een dikke en groote, bv. een dikke snoek, paling, enz. (Synoniem met: kanjer), bij v. Dale: een koning van een visch. De Benjemin is gewoonlijk de jongste der kinderen uit één paar ouders. – Voorts doen dienst de gewone eigennamen: ’n Hans (een Johannes) = een sul, (ook: groothans; zie aldaar); Hans ongeluk, Stad-Groningsch Hansien ongeluk = iemand die nogal vaak een ongelukje houdt; ’n Jan = een dikke in zijne soort, bv. een groot mes, enz.; ’n hijle Pijt (= Pieter) = iemand die heel wat vertooning maakt; dreuge Pijter, ook: dreuge Tönnies = droog mensch; ’n holten Kloas = stijve, houterige kerel; klōmpen-Kloas = lomperd; ’n Jantje-goddoom = onverschillig, loszinnig jongmensch; Jan-oneuzel = die van den prins geen kwaad weet; stoan as Jan-van-vuren = van verre staande als een onnoozele; stieve Jurrie = houterig persoon; Evert, of: Derk op de rug (of: rōgge) hebben = traag zijn, geen lust aan ’t werk hebben; Hans-Michel = halfmalle, schimpwoord voor iemand die zich wat vreemd gedraagt; Jan, Pijt, Kloas = Jan alleman, ’t gros van ’t volk; kerelhil (kerel Hilje), ook: kereltrien (kerel Treintje) = vent Hindêrk = manwijf; Oabeltje wiedgad = eene vrouw (of: meisje) met wijde rokken, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
Kenau , Kenau , zie Goliat *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kenau , kenau , de , kenaus , kenau, helleveeg Wat een kenau van een wief (Bui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal