elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: keurboom

keurboom , [uitgelezen boom] , keurboom , Sprw. Dee keurboom zög, dee voelboom vindt = die het onderste uit de kan wil hebben valt het lid op den neus. (Lesturgeon.) Gron.: De keurboom zöcht, dei voelboom vindt, zooveel als: die te kieskeurig is krijgt gewoonlijk het minste. Hetzelfde spreekw. in Limb. Oostfr. Neders. Westf. Keulen, enz.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
keurboom , keurboom , Spreekwoord: Dei keurboom zöcht (zoekt), dei voelboom vindt = die te kieskeurig is krijgt ten slotte het allerminste of allerslechtste. Het wordt vooral op de keuze eener vrouw toegepast en is dan zooveel als: Hij het noa ’n runderbroa zocht en is an ’n halsknoak hangen bleven. Drentsch Dee keurboom zög, dee voelboom vindt, wat Lesturgeon verklaart door: Die het onderste uit de kan wil hebben valt het lid op den neus; v. Dale: Van keurboom komt men tot vuilboom = wie te kiezen heeft, kiest vaak het slechtste. Zuid-Limburg Wéé kuerboom zeukt, zal voelboom valle; Oostfriesch De körbôm sōcht, de fûlbôm findt; Nedersaksisch He geit so lange to körbaum, bet he to vuulbaum geit; Keulen: Wäs zo lang köörbäumt, da taasz aam eezten der nevve; Westfaalsch Hä gêt so lange körboͤmen, dat hä endlik fulboͤmt. (In den Dr. Volksalm. 1847 wordt het woord voelboom verklaard door: alnus nigra, vuilboom, welks hout geringe waarde heeft. Stürenburg Fuhlbaum = Faulbaum, Faulbeerbaum. Läusebaum, Rhamnus frangula.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
keurboom , keurboom* , ook bij v. Dale.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
keurboom , keurboum , mannelijk , keurboum , keurboom, door ’n handvest aangewezen bomen, die niet zonder toestemming mochten worden gekapt; het beste van iets, of: het neusje van de zalm. Wae keurboum zuik, zal voelboum vénje: hoogmoed komt ten val; bij het kiezen neemt men vaak het slechtst
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal