elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kienspel

kienspel , kienspil , kienspul , kienspil (Oldampt) = kienspul (Ommelanden) = lotto quine; op ’t kienspul speulen = zich met het lotto-spel vermaken; Oostfriesch kîn = lotto; kînspil = lottospel. – Daar men voorheen bij het loten houten staafjes gebruikte, zal quine van kien (Hoogduitsch Kien) gevormd zijn. Zie: kienholt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kienspel , kînenspül , Kienspel.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
kienspel , kienspil* , bij v. Dale: kienen, kienspel.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kienspel , [lottospel] , kînenspül , Kienspel.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
kienspel , kienspul , lotto (gezelschapsspel)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
kienspel , kienspul , (Gunninks woordenlijst van 1908) kienspel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal