elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klijn

klijn , klien , eene veengrond waarvan de beste soort van turf gemaakt wordt. Te Niebert te verkoopen (1867): “zes perceelen uitmuntende klien,” enz. Id. aldaar: “3 Bunder klien, zonder boven- of ondergrond.” Id. te Tolbert: “De klien, aanwezig in 52 ares hooiland,” enz. Friesch klijn = laag veen; Geldersch kluin, kleun, kloen: zekere soort van baggerturf. In Noord-Holland is klienen = fijn maken, een kaasmakerswoord. Holsteinsch klün = heidezoden, en in Sleeswijk wat men in Holstein torf noemt. Oud-Friesch klün, Noordfriesch klun, klein, Deensch klyn, Oud-Engelsch cliene, Engelsch clean = zuiver, onvermengd. Hiervan: klienland, en: klienverkooping. (Bij H. Kremer: klien, bl. 173.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
klijn , klien , klijn , (zelfstandig naamwoord) , Zekere veenspecie, die uit de sloten wordt opgebaggerd en na op het land gedroogd te zijn als brandstof wordt gebruikt. Thans verouderd. || Voort en sal hem niemant vervorderen enighe clien te haelen van andermans gront dan by consent vanden eyenaar; ... en zal hem niemant vervorderen buyten den ban van Westzanen wonnachtigh zynde eenich slick ofte clien te schepen ofte te haelen in die ban van Westzaenen, Hs. keur (a° 1596), archief v. Westzaan. Dat niemant hem en sal vervorderen slick, modder, dary, clien, hoe dat die genaemt soude mogen wesen, te trecken in de schuyt, Hs. keur (a° 1685), archief v. Assendelft. (Wy) ordonneeren ... vooreerst, dat yder ingeseten deeser plaetse van deesen jare sal mogen klien trecken ende turff maecken ...; 2° die eenige klien sal komen te trecken sal gehouden weesen syn schuyt aen d’ wal te moeten vast leggen ende alsdan niet anders als midde ind’ schuyt staende, ende d’beugel aende buytenkant uytwerpen, ende alsoo eenige klien trecken maer niet tusse d’wal end’ schuyt yetwes mogen uytbeugelen, Hs. keur (18de e.), archief van Wormer. Den 20sten November betaelt aen Klaes Pouwelsen Span van lanthu(i)r, daer 10 schuyten klien op gelegen het, ƒ 1: 5, Hs. kasboek der kerk te W.-Zaandam (a° 1673), Zaanl. Oudhk. Den 21 Mey betaelt aen Klaes Aersen op Saendijck voor 25 schuyten klien ophalen en treden, de schuyt 15 stuyvers, ƒ 18: 15, ald. Den 7 Augustus betaelt aen Jan Jacobsz. Boses voor 29 schuyten klien ophalen en ofmaken, de schuyt 15 stuyvers, ƒ 21: 15, ald. – Dat het woord reeds in het begin der 19de e. niet meer begrepen werd mag men misschien opmaken uit de schrijfwijze kliën in een keur, in 1806 uitgegeven “tegen het halen van Aarde, Schulpen, Zand, Slijk, Kliën en uitvoeren van Mest & ca”, archief v. d. polder Westzaan. – In Friesl. en Gron. is klien, klijn nog gebruikelijk; zie HALBERSTMA 615, EPKEMA 245, MOLEMA 204. In Gelderl. is kluin, kleun, kloen zekere soort van baggerturf. – Zie klienen II en vgl. kluinen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
klijn , klien* , het Hoogduitsch “Klün” bestaat niet.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
klijn , klain , veen voor turf en bagger
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
klijn , klijn , eerste soort veen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
klijn , kluun , klien, klun , de , (Zuid-Drenthe). Ook klien (Kop van Drenthe), klun (Zuidwest-Drenthe, zuid) = laag onder het grauwveen ‘Blauwveen wordt hier klien genoemd. Het zit meestal onder het grauwveen’ (Row), Klien is vast veen (Eel), maar Kluun is arg brokkelig (Smi), In eigen gegraeven törf zit altied een hoop kluun gruis met kleine stukjes (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klijn , klien , zelfstandig naamwoord , de; klijn: veenspecie, als zeer goede kwaliteit turf aangemerkt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal