elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klokslag

klokslag , [het slaan van een klok] , klòkkenslag , (mannelijk) , klokslag; ünder den klòkkenslag van N hören, onder het gebied van een plaats horen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
klokslag , klokslag , in: hij woont onder klokslag van Beem, enz. = hij behoort tot het dorp Bedum; onder klokslag van Ōskert is ’n moord doan = onder Uskwerd is een moord gepleegd.
klokslag hou loat is ’t? zeker meisjesspel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
klokslag , klokslag* , ook Friesch; oudtijds: bekendmaking namens de overheid, door ’t luiden van een klok of bel, zie bvb. A. J. v.d. Aa, Aardrk. Wbk., dl. XI bl. 537 midd.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
klokslag , kloksjlaach , mannelijk , kloksjlaech , klokslag.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
klokslag , klokslag , klokkeslag , de , Ook klokkeslag (Zuidwest-Drenthe) = klokslag Um klokslag zeuven moej der wezen (Zwin)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal