elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klungel

klungel , klungel , (vrouwelijk) , "een’ lompen onbeschaafden manspersoon. Ook wordt het in een’ minder verachtelijken zin gebezigd; b. van eenen langen, mageren boerenjongen zegt men:
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
klungel , [vod, kluwen] , klüngel , (mannelijk) , vod, kluwen.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
klungel , klüngel , (onzijdig) , vod, kluwen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
klungel , klōngel , klungel , ontuchtig vrouwspersoon; ook = bijzit, concubine; klōngêln, klungêln = omgang hebben met een liederlijk vrouwmensch, of ook: eene ongeoorloofde gemeenschap hebben met (bv.) eene getrouwde vrouw; het vrouwspersoon, gehuwd of ongehuwd, heet: zien klōngel of klungel. Friesch klongel = lichtekooi, bijzit; Oostfriesch klüngel = liederlijk vrouwspersoon; klungeln = een liederlijk leven leiden, van vrouwen gezegd. (v. Dale: klungel = straatloopster, gemeen vrouwspersoon; vod, lap, lomp, onbeduidend of nietswaardig voorwerp; klungelen = beuzelen.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
klungel , klüngel , (onzijdig) , klüngels. , Kluwen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
klungel , knungel , (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk) , Onbeduidend, lummelig, nietswaardig persoon. Vgl. VAN DALE op klungel. || ’t Is zo’n knungel. – Zie knungelen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
klungel , klongel* , klungel* , bij v. Dale ook = vod; klungelen = beuzelen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
klungel , klüngel , (onzijdig) , klüngels , Kluwen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
klungel  , knungel , lor, ook deern.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
klungel , klungl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , klungls , klunglken , knot, kluwen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
klungel , klungel , sukkel Ge ziet mar ’ne grote klungel! Je bent maar een grote sukkel!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
klungel , klungels , mv , slechte kleren Héj haj niks as klungels án. Hij droeg slechte kleren; Op zien klungels kriêge slaag krijgen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
klungel , klongel , 1. bijzit. 2. lomperd
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
klungel , klongel , knungel , zelfstandig naamwoord de , 1. Variant van klungel. 2. Iemand die in het geniep handelt of koppelt (verouderd). Vgl. Fries klongel.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
klungel , klongels , klungels , 1. voorwerpen die niet zo best van kwaliteit zijn o.a. kleren. 2. kloten.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
klungel , klongels , voorwerpen van slechte kwaliteit.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
klungel , klonkel , de , klonkels , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = slungel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klungel , klungel , klongel , de , klungels , Ook klongel (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe) = 1. onhandig persoon of iem. die niet opschiet Wat een grote klungel bi’j toch Kiek ies alles hej der bijan gooid (Noo) 2. balletje (Zuidoost-Drents zandgebied) Gerdienen met van die mooie holle bloemen en klongels der an (Pdh) 3. zak (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Mien moe maakte vrogger in een klongel hangop karnemelk waarvan de vloeibare bestanddelen werden gescheiden door een zakje of klongel (Mep), Over de koplaoge van een korenbult weurden de zeilen gooid woor de klungels an kwamen te hangen volgestopte zakken (Bco) 4. vuil, mestklont in schapenwol (Zuidoost-Drents veengebied) Smerige klungels die moeten der uut (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klungel , klongel , klungel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
klungel , klungel , (Gunninks woordenlijst van 1908) waardeloos ding
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
klungel , klungel , slecht werktuig.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
klungel , klongel , klungel , zelfstandig naamwoord , de; 1. klungel, onhandige persoon 2. hangende, schommelende zak
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
klungel , klungel , (zelfstandig naamwoord) , 1. klungelig persoon. Een klungel van een jonk; 2. waardeloos ding. Een klungel van een spiekerbroek.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
klungel , klongel , klungel , iets minderwaardigs, voorwerp van weinig waarde; klungeleulie, klöngeläöle, jenever met stroop.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal