elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knal

knal , knil , voor: knal; zie: fut.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
knal , knil , zie fuut *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
knal , knal , mannelijk , knalle , knelke , knal; verdacht huis; miserabele behuizing. Waat ’n knal: wat een miserabele bedoening.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
knal , knal , limonadeëchtig beer ván drek noa d’n oërlog. “Ge woorter zát, zeek en hártstikke gek va”.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
knal , knal , de , knallen , knal Die knal hebt ze almaol heurd (Wijs), Het zal een knal ofgeven het zal me wat worden (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knal , knal , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , knalle , knelke , café , (onguur café) knal VB: Vreuger jaore haws te op de wëg nao Viezee versjejje knalle ligke.; huis knal VB: 'n Aw knal (ongunstige betekenis); kroegje (onguur kroegje) knal; vervallen (een vervallen huis) knal
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal