elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knoedel

knoedel , knoedel , noedel , voor: ineengefrommeld voorwerp: de schötteldouk legt in ʼn knoedel op de toavel. – Ook = balletje, klompje van meel en stroop (Ulrum). Bij v. Dale: knoedel = meelballetje in de soep, (ook Zuid-Limburg); deegklomp in water, vleeschnat, enz. gaar gekookt; Oostfriesch knidel, Hoogduitsch Knödel, grof rond wittebrood of meelgebak. – Van: kneden = door drukken met handen, voeten of werktuigen eene weeke stof, bv. deeg, leem of klei bearbeiden, ook: zoodoende tot een vorm bewerken; Nederduitsch Middel-Nederduitsch Kil. kneden. Oud-Hoogduitsch chnëtan, cnëtan, Middel-Hoogduitsch kneten, knëtten, Angel-Saksisch cnëdan, en zou van een oorspronkelijk Germaansch werkwoord gnidan, knidan, Opperduitsch gnitan, chnitan, afstammen. – Het liefkoozingswoordje der moeder tegen den zuigeling: lutje noedel staat voor: kleine knoedel, evenals: knûdel (Westfaalsch) = Nudel (meelballetje) (Hoogduitsch) Vgl. ʼt Hoogduitsche Knödel, Knauel, Knäuel en zie: knoedeln.
zooveel als: ineengedrongen persoon, vooral van vrouwen gezegd.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
knoedel , knoedel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Deegbal van gruttemeel, die in kokend water onder voortdurend roeren wordt gaar gekookt. Weinig gebruikelijk. || We eten knoedels. Geef me nag maar ’en knoedel. – Het woord is ook elders bekend; zie VAN DALE en DE BO. Evenzo Hgd. knödel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
knoedel , knoedel* , [bldz. 211 en 534]: vergelijk ook het Hoogduitsch Knauel of Knäuel.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
knoedel , knoedel , zelfstandig naamwoord de , 1. Bundel los bij elkaar gehouden voorwerpen, bv. kleren. 2. Knot, haarwrong. 3. Bundeltje ineengedraaide wol aan de achterpoten van schapen, veroorzaakt door schapestront. 4. Rond stuk deeg met stroop en boter in de pan gebakken (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
knoedel , knoedel , mannelijk , knoedele , knuudelke , meelbol, gekookt in water; kort, dik mens; misvormd brood.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
knoedel , knoedel , de , knoedels , 1. knoet in het haar Zij haar zuk dat haor mooi in de vlechte in ’n knoedel achter op de kop draaid (Bco) 2. vormeloze hoop De jurk lag in een knoedel op de grond (Hgv), Der lig ’n hiele knoedel kleren op de grond (Sle), zie ook knoet
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knoedel , knoedel , knoet, knoetel , zelfstandig naamwoord , de; 1. knot in het haar 2. op een knot of knoedel gelijkende vorm, vormeloze hoop, warwinkel 3. tweede of derde kwaliteit riet
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
knoedel , knuddel , zelfstandig naamwoord mannelijk , knuddele , knuddelke , kind , (klein, dik kind) knuddel
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
knoedel , knoêdel , zelfstandig naamwoord, mannelijk , knoedele/knudele , knoedelke/knudelke , meelprop (in pap); knudel (Nederweerts, Ospels) meelprop (in pap)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
knoedel , knoedel , zelfstandig naamwoord , knoedel [?]; Op de grond dommelden paddestoelen van wel tienderhaande sort: heel kleine knoedeltjes, rood mee witte pikskes er op. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929); WNT Knoedel - meelbal, deegspijs
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal