elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kleven

kleven , kleven , (zwak werkwoord) , vgl. messeklever.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kleven  , klaeve , kleven.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kleven , kleven , klaaiven , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook klaaiven (Veenkoloniën) = kleven Het kleeft aal an mekaar vast (Oos), Wat kleeft die liem (Gas), Alles blift aan mie plakken klaaiven (Erf), (fig.) Die beide die kleeft an mekaar, aj de iene ziet, ziej ze allebei (Exl)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kleven , kliéven , kleven.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kleven , kleven , kleven
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kleven , kleven , klieven , werkwoord , 1. aan iets plakken, kleven 2. kleverig zijn, doen plakken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal