elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: koekoek

koekoek , [scheldwoord] , koekoek , Komt als schimpwoord voor te Elp (bij Westerbork) naar een zekeren heer Koekoek, die volgens de overlevering aldaar een kasteel zou gehad hebben. De oudste man in dat gehucht heet de koekoek in de kist.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
koekoek , kûkûk , (mannelijk) , koekoek. {poem} kùkùk! kùkùk! trek de bokse ùt, trek ’t hemd an, kom an dan. {/poem} Dit versje ziet op de koekoeksjongen, die eerst donkere veeren hebben, en, als zij gaan vliegen, lichtere krijgen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
koekoek , koekoeken , de iris of zwaardlelie, eene waterplant.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
koekoek , koekoek , in de uitdrukking: dat dankt joe de koekoek! (of – de deksel!de doezend!de dood!de weergoa!de dore en ruw weg: – de donder!de duvel!de bliksem! of alleen: dat dankt joe!) = dat zal waar zijn! ook: dat zoudt ge wel willen. Zegswijs: hij zel de koekoek wel nijt weer heuren = hij beleeft het vast niet dat de zomer en de koekoek komt, inzonderheid van een teringlijder gezegd; ook in Holstein. – Van iemand die met zijne handen in den zak loopt zegt men spottend: hij ’s bang veur de koekoek. Zie ook: horendoren-kroepoet.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
koekoek , koekuit , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Koekoek. Naar het schijnt thans verouderd. Vroeger heette een molen op de Koog de Koekuit, en daarnaar is genoemd de Koekuitsloot. De molen heette later de Haas. – Koekuit komt ook bij de 17de-eeuwse Amsterdammers voor; b.v. ROEMER VISSCHER, Brabbelingh (ed. 1669), 54: “Daerom sal voor Mey de Koeckuyt singen”. In het Stad-Fri. zegt men koekuut. Men vindt het woord ook elders; zie Mnl. Wdb. op cockuut en DE BO op koekoet.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
koekoek , koekoek* , zie ook: horendoren -kroepoet . Verder: bist bang veur koekoek? [voluit: bist bang dat koekoek die op handen schit?] als schertsende terechtwijzing tegen iemand die zijn handen in zijn zakken heeft of tegen eene vrouw die ze onder haar boezelaar verbergt.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
koekoek  , koekoek , Det dank dich de koekoek, dat spreekt van zelf.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
koekoek , koekoek , verspringbare deuk in een blikken bus. D’r zit ’ne koekoek in die blikke bus; Dank je de koekoek! Dank je feestelijk!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
koekoek , koekoek , mannelijk , koekoeke , koekoek, Cuculus canorus. Dat dank dich der koekoek: dat is vanzelfsprekend. De koekoek ruip, ’t kaore bluit: als de koekoek roept, dan bloeit het koren.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
koekoek , koekoek , de , koekoeken , 1. koekoek Doe je haanschen toch oet met zuk weer de koekoek schet je der in pas mor op (Eex), De koekoek rop niet veur mei en niet nao Sunt Jopk (Sle), Veur as de koekoek rèup, mug ie niet barft lopen (Hol), As de koekoek rèup, dan gung ie tellen hoe vake um te weten hoeveul jaoren aj nog te lèven hadden (Hgv), Het is met hom altied koekoek einzang altijd weer hetzelfde (Pei), Koekoek laot je stem ies hèuren bij verstoppertje (Sle), Die heurt de koekoek niet meer roepen zal de lente niet meer beleven (Hgv), Hij röp as ’n koekoek (Klv) 2. dakkapel Een koekoek op het dak zit miest in een slaopkamer, die op zolder oftummerd is (Geb), Het lekt wat bij de koekoek (Die) 3. verzonken kelderraam (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) Een koekoek is een raempie in het keldergat (Dwi), zie ook koekoeksgat 4. bord op een dekwagen in de vorm van een halve maan, bevestigd op het achterhek, met knoppen voor het vastmaken van het linnen (Gee) 5. in Dat daank oe de koekoek! (Hgv) of Dat hale je de koekoek dat had je gedacht (Pdh), Daank je de koekoek! komt niks van in (Row) of Loop naor de koekoek naar de duivel (Klv) *Een mensk is gien koekoek een mens kan van mening veranderen (Row); As de koekoek röp komp er regen (Die); Koekoek in het laand / Jazen an de kaant (Nor); Hej de koekoek wel is ’veur maai’ roupen heurd? grapje, de koekoek roept niet voor de maand mei (Row); Koekoek, breiboek / Leg een ei / In de dop / Oetoe, lillijke dikkop (Man), ... / Geef mij dop / IJ lillijke dikkop aftelrijmpje (Sle) of Koekoek / Braailoek / Holten sleif / Gauwdeif (N:be: Rod); In Elp laot ze in mei de koekoek lös (Schl), want In Elp hebt ze de koekoek in de kist met verwijzing naar scheldnaam voor bewoners van Elp en een heer Koekoek, die daar volgens een sage een kasteel had (Gas); Elke vogel legt in mei een ei / Behalve de koekoek en de griet / Die legt in de meimaond niet (Wee)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
koekoek , koekoek , 1) koning in een bepaald kaartspel; 2) golving in een slecht gehaorde zeissie.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
koekoek , koekoek , koekoek
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
koekoek , koekoek , zelfstandig naamwoord , de 1. bep. vogel: koekoek 2. bep. soort bonte kip met verenkleed dat aan een koekoek doet denken 3. domme persoon 4. dakkapel 5. vossegat, gemetselde put voor een kelder 6. kelderraam dat naar binnen draait op een horizontale as aan de onderkant, met schuin toelopende plankjes aan weerskanten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
koekoek , koekoek , zelfstandig naamwoord , koekoek; [Zbl] dakkapel Zie kappeluif; koekoek êênen-dreun 1. Gezegd als er iets op monotone wijze verteld wordt 2. Gezegd als steeds hetzelfde verteld wordt Ook koekoek-êênen-deun
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
koekoek , koekoek , zelfstandig naamwoord , hetzelfde , (altijd hetzelfde) koekoek èine zaank VB: Es dè get vertelt, 't ês altiéd koekoek èine zaankl.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
koekoek , koekoek , enigst kind in een gezin.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
koekoek , koekoek , dakkapel , vruger zaagde nie veul koekoeke op ’t dak staon = vroeger zag je niet veel dakkapellen op de daken- ne koekoek gif veul mjeer liecht bove = een dakkapel zorgt boven voor veel meer licht-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
koekoek , koekoek , luik boven de grote boerderijdeuren, waardoor het hooi naar binnen ging
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal