elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: koesen

koesen , koesken , dutten, slapen, beperkt zich bijna alleen tot de kindertaal, van moeder tegen zuigeling: koeske die! = slaap, lieve! Zie: koesen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
koesen , koesen , koetsen , (wederkeerend) = koest wezen, zich stil, rustig houden: koes die! of: koets die! tegen een’ hond. Noord-Brabant zich koes houden = stil houden Kil. koetsen; ’t Fransche couche, Hoogduitsch kuschen. (v. Dale: zich koesen = zich nederleggen, het Fransche se coucher.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
koesen , koesen* , [bldz. 535], Hoogduitsch kuschen; vgl. koesken * en koetsen *, bij v. Dale: zich koesen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal