elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: koetspaard

koetspaard , koetspeerd , zie: driest.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
koetspaard , koetspeerd , zie driest * [bldz. 514.]
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
koetspaard , kótsjpaert , onzijdig , kótsjpaert , koetspaard; zwaargebouwde vrouw.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
koetspaard , koetspeerd , koetsepeerd , het , Ook koetsepeerd(Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. koetspaard Het pèerd dat de koets trök, was het koetspèerd (Bui), Een peerd dat vertrouwd was, was ’n koetspeerd (Row), vandaar Pak het koetspeerd mar even, dat is al wat oold en het is mak (Pdh), Hij zweet as ’n koetspeerd (Wes) 2. pronkende vrouw (Zuidwest-Drenthe, noord)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
koetspaard , koetspeerd , koetsepeerd , zelfstandig naamwoord , et; koetspaard
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal