elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kogelen

kogelen , koegêln , (kogelen), schertsend voor: werpen, smijten, gooien. Synoniem met: kloetjen. Vgl. v. Dale. artt. kogelen, en: omkogelen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kogelen , koegelen , (zwak werkwoord, intransitief) , Platte steentjes over het water doen scheren (Zaandijk). Zie synon. op keilen. – Koegelen is afgeleid van koegel in de zin van ronde keisteen; vgl. koegelsteen. Hetzelfde spel heet bij HADR. JUNIUS, Nomencl. 215b: “botten, zeylen, kucheln”; KIL. heeft “kughelen, Holl. j. slingheren”. In het Stad-Fri. gebruikt men koegelen in de zin van gooien; zo ook in het Oost-Fri. Vgl. KOOLMAN 2, 394 op kugeln.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kogelen , koegeln , schertsend voor: werpen, smijten; bij v. Dale: kogelen en omkogelen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kogelen , koegele , werkwoord , Verouderde variant van bekogelen. Vgl. Fries kügelje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kogelen , koegeln , kogeln , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook kogeln (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) = 1. kogelen Hij koegelde die balle het doel in (Klv), ...een steine deur de roeten (Erf), De sneiballen koegelden mij um de oren (Oos), 2. rollen, buitelend vallen Het duurde mor even of ij zagen de haogelsteeinen zo dik as knikkers oet de locht oet koegeln (Eex), Wie binnen der boven ofkoegeld (Eco) 3. in grote getale of hoeveelheid gaan Zie koegelt der of van een zeug die biggen krijgt (Sle), Wat een drokte de auto’s koegelt er langs (Sti), Het waoter koegelde deur de sloot (Vri), Zie koegelt hen binnen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kogelen , koegelen , werkwoord , 1. zeer snel, met grote kracht voortbewegen 2. hard gooien, een eind van zich werpen 3. bij een gaande beweging vallen, rollend vallen 4. hard schoppen, schieten bij voetbal 5. werpen om te doen omvallen, om iets ergens af te doen vallen 6. min of meer werpend knikkeren met stuiters door kinderen tijdens het lopen, vooral van en naar school
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal