elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kolsem

kolsem , koldzwien , kold zwien , wat bij van Dale kolsem, zaadhout, tegenkiel, en bij v. Lennep kolzwijn heet. Oostfriesch kolswîn, Engelsch keelson, kelson, Deensch kjölsviin, Zweedsch kölsvin, Hoogduitsch Kielschwein, ook: Kolsem, Kolschwenn, Kielschwinne, Nederduitsch kielswien, kielschwin. Volgens ten Doornkaat is het eerste deel van dit woord één met kiel, Wangeroog kiöl, Oudduitsch kiöl, uit het Oud-Noorsche kjolz, of als het Engelsche keel uit het Angel-Saksische ciol, ceol, enz. Het tweede deel zou eene verbastering zijn van: swil, daar deze balk op Wangeroog nog kiôlswil of kiölswil luidt, in het Noorweegsche kjölsvill. Dit svill, Hoogduitsch Schwelle = grondbalk, of eigenlijk stut of draagbalk van iets = Oud-Hoogduitsch kiol, Angel-Saksisch ciol, enz. dat oorspronkelijk schip beteekende. Het woord is dus eigenlijk een pleonasme en zooveel als: de balk waarop het schip steunt. Zie aldaar art. kolswîn.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kolsem , koldzwien* , Hoogduitsch ook wel: Kolsem, Kolschwein, Kolschwinn, Kielschwinne, [alleen ’t laatste – Nederduitsch – bij ten Doornk.]
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal