elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kondigen

kondigen , [officieel bekend maken] , kundîgen , kondîgen , het publiceeren van verkoopingen, verhuringen, het lezen van publicatiën van Burgem. en Weth., enz. Dit werd door den koster-onderwijzer buiten de kerk, na afloop der preek, op het kerkhof gedaan. In Groningen (te platten lande) geschiedde dit nog vóór een 40 tal jaren in de kerken; dat lezen der particuliere kundigcedels was een emolument. – Hooft kundighen = verkondigen; Oostfr. Neders. kündigen = aankondigen, ter kennis brengen. Ook = afkondiging in de kerk door den predikant. Dr. Landr. (1712) III, 7: – de Predikant die hier tegens de Kundiging mogte doen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
kondigen , [aankondigen] , kündigen , (zwak werkwoord) , aanzeggen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kondigen , kundêgen , (kondigen), voor: afkondigen in de kerk. Nog voor een dertig jaren werden verkoopingen, verhuringen, boeldagen, schouwingen, enz. daar kundîgd, dat is door den koster ter kennis van het publiek gebracht, bestaande in het aflezen van een kundig sedel. In ’t Oldampt werd vijftien, in de Ommelanden tien cents voor elke kondiging betaald, Rijk, Provincie en Gemeente waren vrij. De opbrengst was een emolument voor den koster. Oldampt. Landr. condigen; Hooft kundighen = verkondigen; Drentsch kundîgen; kondîgen. Dr. Landr. (1712) III. 7: – de Predikant die hier tegens de Kundiging mogte doen. (Ook in onze provincie werd dit nog in de eerste helft dezer eeuw door den predikant verricht.) Oostfriesch, Nedersaksisch kündigen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kondigen , kundegen* , Hoogduitsch künden, kündigen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kondigen , kunnegen , werkwoord, zwak , aankondigen van ondertrouw of huwelijk
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kondigen , kundegen , kunnegen , (ouderwets), zie aanheuren
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
kondigen , kundige , kundichde, haet of is gekundich , opzeggen; ontslag geven of nemen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kondigen , kundigen , kondigen , zwak werkwoord, overgankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, wm). Ook kondigen (wp, wm) = 1. officieel bekend maken, openlijk kennis geven As ie trouwen wilt, mot dat kundigd worden (Bov), Die boeldag is wal kundigd in de krant (Scho), Der is hun kundigd worden hij mot vertrekken hem is ontslag aangezegd (Bco), Die mut der mit meie ook uut, hij is al ekundigd hem is de huur al opgezegd (Eli) 2. (Zuidwest-Drenthe, zuid), in Hij hef hum nargens in ekundigd in gekend (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kondigen , kondigen , werkwoord , bericht doen van, met name van een sterfgeval
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal