elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: koosjer

koosjer , kouster , (bijvoeglijk naamwoord) , rein, zuiver. Toen men vroeger ook hier nog jodenkaas maakte, werd het opzigt van zulk een kaasmakerij aan een Jood opgedragen, die van wege het israelietisch kerkbestuur werd aangesteld. Hij had in last, naauwkeurig toe te zien en te zorgen, dat alle gereedschappen bij het kaasmaken in gebruik, rein en zuiver werden gehouden; te dien einde werden alle schoongemaakte gereedschappen door hem met een krijtje gewaarmerkt, ten teeken dat ze kouster waren. Van daar is het hier een spreekwoord geworden: “het zit er niet kouster,” niet zuiver.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
koosjer , [geoorloofd, in de haak] , kouster , geoorloofd, in den haak; “nao an alle kanten rondkeken te hebben, as of ’t er neet kouster um was.” Gron. kouster = rein, zuiver; nijt kouster, fig. = niet zoo als ’t behoort, en van personen = niet te vertrouwen, ook Limb. Neders. niet kouster = niet eerlijk. Hebr. kasjeer, kosjeer, kosjer = passend, geschikt, geoorloofd, rein.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
koosjer , kouster , kauster , rein, zuiver. Ook van vleesch gezegd dat door een kousterslachter is geslacht; ook Drentsch. – fig.: nijt kouster wezen = niet volkomen gezond, bv. niet vrij van koorts; – (ook (evenals te Maastricht kouscher)) = niet te vertrouwen zijn, geen goede lever hebben; Nedersaksisch niet gezond, en: niet eerlijk. v. Dale: kauscher, koscher = geoorloofd; rein, zuiver. ’t Hebreeuwsche kasjeer, kosjeer, kosjer = passend, geschikt, geoorloofd, rein (zie Prof. R. Dozij, art. kasjeer). Avé Lallemant zegt: koscher sein, koscher gehen, unverdächtig sein, ohne Besitz von Diebsgeräth oder Diebsbeute sein. (Das Deutsche Gaunerthum IV p. 562). Vgl. Zeeman blz. 333.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
koosjer , kouster* , bij van Dale: kauscher, koscher.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
koosjer , kouster , in orde, zuiver, meestal in negatieve zin gebezigd
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
koosjer , kousjer , gezond
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Winschoter bargoens, in: Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank
koosjer , kouster , TL 460. Het woord als zodanig heb ik ook in mijn jeugd vaak aldus horen uitspreken. De oorsprong is Hebreeuws: KASJER = geschikt, geoorloofd voor ritueel gebruik. In tegenstelling tot TREIFE = TEREFA = verscheurd. Vgl. Leviticus 22:8, “gestorven of verscheurd (TEREFA) vee zal hij niet eten.”
Bron: Meijer, J. (1984). Tolk van ’t Olle Volk – Joods Supplement op het Nieuw Groninger Woordenboek van K. ter Laan. Heemstede
koosjer , kousjer , kousjer, hebr.: ritueel. Pas op mit dem, dae is neit kousjer: voorzichtig met hem; hij is niet te vertrouwen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
koosjer , kouster , kousjer, kouse, koser, koosjer , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord). Ook kousjer (Zuidwest-Drenthe), kouse (Zuidwest-Drenthe, zuid), koser (Zuidwest-Drenthe, zuid), koosjer (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. koosjer, volgens Joodse rite en traditie Daor woonde een kosere bakker (Mep), ...kouse bakker bakker die ritueel bakt (Hgv), As ’t kouster eslacht is, dan is het duur vleis (Ruw) 2. pluis Dat zit wel kouster zit wel goed (Klv), Dat vleis was niet kouster niet meer zo lekker, deugde niet (Schl), Pas maor op het is daor niet kouster (Hijk), Hij is lang niet kouster hij is onbetrouwbaar (Row) 2. duur (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Dat wordt mij te kouster, dat wil ik niet hebben (Sle), zie ook jouker
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
koosjer , kouster , legaal , Daor moet'te meej ûtkiike, ik weet nie of dé wél zó kouster is, zé mér vurziechteg. Daar moet je mee uitkijken, ik weet niet of dat wel zo legaal is, ben maar voorzichtig.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
koosjer , kouster , bijvoeglijk naamwoord , 1. kousjer, koosjer: in orde, in de haak, betrouwbaar 2. (veelal in ontkenningen) goed bij z’n verstand, snugger 3. (veelal in ontkenningen) zich gezond voelend
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
koosjer , kouster , bijvoeglijk naamwoord , legaal (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
koosjer , kauser , bijvoeglijk naamwoord , kausere , schoon, zuiver; dao is het neet kauser – daar is het niet pluis (van het Jiddische woord ‘koosjer’)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
koosjer , kouwsjer , bijwoord , koosjer; – “Dè was zogezeej kouwsjer slachte. De Joode die mooge niks slachte of der kwaam ene rabbie bij.” (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal