elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: korrelen

korrelen , kōrrêln , kōddêln , rollen, van schijven, raderen, ballen, enz., zich al wentelende voortbewegen op een effen bodem; omkōrrêln, omkōddêln = ééne omwenteling maken, omrollen; kōrrelōm = kōrrel noemt men een klein, dik kind, dat veel van een rolrond lichaam heeft. Nedersaksisch kurreln = zich ronddraaien, rollen, Hoogduitsch kollern, Latijn currere, waarvan: curriculum = wagen, kar, rijtuig, dus een voorwerp dat zich rollende voortbeweegt. – kōddêln, eene gebrekkige uitspraak voor: kōrrêln; kōldêrn (zie aldaar) door wisseling van r en l uit: kōrrêln. Zij zijn synoniem; ’t laatste wordt alleen onzijdig gebruikt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
korrelen , kōddeln , zie kōrreln *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
korrelen , korreln , körreln , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , Ook körreln (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = 1. rollen, buitelen De snaai korrelde van het dak of (Row), Hie korrelde van de bienen, .... de sloot in (Sle), Körrel die tun is even de schuur in (Pdh), De kwaojonges bint an het vechten, zie korrelt um mekaor toou (Eex) 2. langzaam rijden (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe) Daor komp die aolde kèrel ok nog weer an korreln met peerd en wagen (Sti), Gèert kwam op fietsie deran korreln (Hijk), zie ook kaoren 3. (onpers.) rommelen in de buik (Zuidwest-Drenthe, noord, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Het korrelt mij in de boek (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
korrelen , knirreln , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied) = kruimelig, korrelig aanvoelen Het hef wat vreuren, want de snei knirrelt je under de voeten (Sti)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
korrelen , koddelen , korrelen , werkwoord , 1. onhandig voortbewegen, op een wijze die doet denken aan slingeren of rollen, moeizaam en langzaam rijden 2. tuimelend vallen, dwarrelend vallen van lichte deeltjes, bijv. sneeuwvlokjes
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal