elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kort

kort , kort , (zijn eigen te – doen) = zelfmoord plegen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
kort , kört , in stukken. Gron. kört gooien; alles kort en klijn sloagen = in duizend stukken slaan.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
kort , kòrt , (bijvoeglijk naamwoord) , kort.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kort , kört , (= kort), in: kört van stof wezen = terstond besloten, voortvarend, tegengestelde van: besluiteloos zijn, lang beraad noodig hebben; ook het tegengestelde van: lankzinnig = geduldig, lankmoedig. Bij Conscience: “Torfs is ook maar kort van stof, hij zou het niet lang verdragen.” – kört van kop = kort aangebonden, driftig, oploopend; Oostfriesch körtkop = dolkop. – Ook = stukkend, aan stukken, gebroken, en daarvan: körtgooien, körthauen, körtsmieten, körthakken, körtsnieden, körtsloagen, körttrappen, körtrieven, körtknijlen, körtdrōkken, körtkauen, körtmoaken; alles kört en klijn (of: klain) sloagen = uit drift in duizend stukken slaan (bij v. Dale: alles kort en klein slaan); kört en scharp (scherp) = kort en bondig, kort en goed; (ook elders); om kört te goan (bij ’t vertellen, enz.) = in het kort (ook elders); iemand de handen kört hollen = weinig geld ter beschikking geven, om er nl. van te teren (bij v. Dale: iemand kort houden; een geldstuk of bankje, enz. kört moaken = wisselen. Rijm: Kört en dik is zunder schik, Lank en klijn is te algemijn, zooveel als: kort en dik staat niet goed, lang en dun is niet voornaam genoeg. Strelitz Kort un dick is burenschick, Schmål un lank is stoltengank; Middenmank is bessengank.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kort , kòrt , (onzijdig) , Stroohaksel als paardenvoer. Zie bij: heksel.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
kort , kòrt , kòrt maken, kòrt kriegen. Wisselen, gewisseld krijgen. Ik kan d(i)ee riksdaalder maor n(i)eet kòrt krijgen; kö̀nnîjem mîn altemets ook kòrt maken?
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
kort , kort , (kòrt) , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Haksel, afval en ander kort veevoeder. Het woord wordt door VAN DALE als gewestelijk opgegeven. Vgl. ook kortvoer.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kort , kort , (kòrt) , (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord) , Zegsw. Te kort zetten, van een molen, in schuine richting zetten, slechts half op de wind zetten, zodat de wind niet recht op de roeden blaast. Kortbij, dicht bij. || We bennen kort bij huis. Hoe korter bij Rome, hoe slechter Christenen. Evenzo elders in Holl. Zie kortbij. – Vgl. nog een zegsw. op elleboog.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kort , kört* , kort en klein, bij v. Dale onder “klein.”
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kort , te kört doun* , ook bij v. Dale onder “kort.”
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kort , kòrt , kòt , (onzijdig) , Stroohaksel als paardenvoer. Zie bij: heksel.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
kort , kòrt , kòt, kòrt maken, kòt maken, kòrt krîgen, kòt krîge , Wisselen, gewisseld krijgen. Ik kan d(i)ee riksdaalder maor n(i)eet kò(r)t kriegen; kö̀nnîjem mîn altemets ook ko(r)t maken? Ook wel klein krîgen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
kort , kuot , kuötter, kuötst , kort. Zichzölf te kuot douen: zelfmoord plegen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kort , kort , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , kùrtr, kùrtst , 1 kort, 2 bw. kapot. korthouwn, stukslaan; t kort gebeente, de kinderen; kort, dichtbij; kortan, kortaf; kort op t mat zitn, dicht op de hielen zitten; kort doon, wisselen, van geld
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kort , kort , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , Kort, in de zegswijze kort an, dichtbij. | Hai weunt kort an de kerk. ’t Is ’n man van kort an de tachtig. – Kortbai, vlakbij. | Ze weune kort bai mekaar. – Kort op mekaar. dicht bij elkaar | De stoele stane te kort op mekaar. 2. Vlak na elkaar. | Hai kreeg kort op mekaar drie bekeurings. – In kort. 1. Kort geleden, onlangs. | Ik hew ’m in kort nag sproken. 2. Binnenkort. | Hai gaat in kort verhuize. Vgl. Fries yn ’t koart. – Dat is kort anstaande, dat staat zeer binnenkort te gebeuren. – Kort voor de kop weze, driftig, opvliegend, gauw beledigd zijn. Vgl. Fries koart foar de kop. – Ientje kort houwe, iemand strak houden. Eigenlijk een dier kort aan de lijn houden.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kort , kort , korter, kortste , kort. Kort va vaesje: lichtgeraakt. Kort van aom: kortademig.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kort , kort , bijwoord , 1. ongeduldig, gauw aangebrand (KRS: Wijk. Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) 2. in het voorzetselvoorwerp in het kort onlangs (LPW: Bens) zie ook *korts en *kortelings .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
kort , kot , 1. gesneden haver (met korrel erin). 2. kort.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
kort , kotte , te kotte: tekort.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kort , kört , kort , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook kort (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe) = 1. kort Die rok is veul te kört (Nor), De rogge is van ’t jaor kort (Bco), Korte turf turf van losse, korte veenspecie (N:ndva), Körte mes mest, bestaande uit korte stukken stro, uitwerpselen en afval (Geb), Het was een klein kort kereltien gedrongen (Nsch), Het körte goed stiet er nog, dat muj nog wassen kleine stukken vlees etc. bij de slacht (Noo), Hij hef de boul kört en klein slaogen (Vri), Dat hef maor kort eduurd (Dwij), Bij het inzeien muj wat körter op het veurige zeisel anlopen dichter (Hgv), Hie trök an het körtste èende (Wee), Hij zei het kort en bondig (Zdw), ...kört en krachtig (Scho), Hij is kört van euvelleer driftig (Pdh), Ik zal het kört met je maken: honderd gulden en gien cent minder (Hijk), Het was kört dag het ging gauw gebeuren (Dwi), Het is nog mor kört geleden gebeurd (Bei), Het was der kört bij vlak in de buurt (Wap), Hie zat kört an mij vlak naast mij (Bal), Hij is nogal kört veur de kop (Pdh), ...om de kop (Row), ... veur het gat (Eri), ...veur de konte snel driftig (Eli), Hij is kört van stof gebruikt weinig woorden (Klv), ...van begrip begrijpt niet gemakkelijk (Ruw), ...van verstand heeft weinig verstand (Klv), ... van memorie kort van geheugen (Eex), Ik heb een kört geheugen onthoud slecht (Ruw), Most dat wicht wel kört holden (Vtm), Laow het mor even kört ofdoen een kort bezoekje afleggen (Sle), Kört en goed hij kreeg het niet om kort te gaan (Rui), Hie is kört an de dartig bijna dertig (Bor), Wij hebt hum veur kort nog zien kortgeleden (Sle), Tot veur kört was dat hier de gewoonte (Dwi), Kort veurbij het postkantoor vlak na (Ruw), Duvekaeter, die slag was kört an dichtbij (Dwi), Jan had het kört an de boks is er op het nippertje afgekomen (Sle), Dat was kört an, aans haw in de sloot zeten op het nippertje (Een), Toen ik wat korter an vreug, krabbelde hij terogge wat doorvroeg (Mep), Die man vruug zo kört an, dat het bij brutaol of was opdringerig (Zwin), Hie har het kört an zag er erg slecht uit, was bijna dood (Sle), Kört eggen eggend egaliseren (hy:Koe), Ik kwam f 500 te kört (Eco), Nooit heb ik een mèensk te kört daon (Sle), zie ook tekört 2. kapot Hij hef de broek al weer kort (Klv), Toen mus de naomiddag nog kört doorgebracht worden (N:Sle), zie ook körtmaken 3. kort aangebonden (Zuidoost-Drents zandgebied) Het is een körte kerel (Sle) *Laank haor kört verstaand (Nor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kort , kört , het , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) = uit kleine delen bestaande mest, afval, plantenresten etc.
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kort , kort , met of in weinig water: De koffie kort zètten. De èrpel kort koken.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kort , kort , klein vlees van het varken, ribkes enz.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kort , köt , kort. De kötte kaante (Kampereiland, Kamperveen)(in een ouderwetse stal stonden de koeien in twee rijen tegenover elkaar. Van één rij werd een stuk afgenomen, de kötte kaante, waar paarden en jongvee werden gestald), köt dernao ‘kort
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kort , kort , haksel voor het paard.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kort , kotten , bijwoord , enige tijd geleden, in sund kotten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kort , kot , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zelfstandig naamwoord , 1. niet uitgestrekt, met een kleine lengte 2. van korte afstand, lengte 3. uit kleine delen bestaand 4. van korte(re) duur 5. met weinig woorden 6. in te kot te weinig, et; in in et kot met weinig woorden; in veur kot onlangs
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kort , kort , bijvoeglijk naamwoord , 1. kort aangebonden, driftig 2. kortademig; Hier te kort en daer te lang Na een lange argumentatie; Hij sting kort op Hij was kort aangebonden Ook kort voor de waoge; Hij sting kort voor de waoge Hij was kort aangebonden Zie kort op
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kort , kort , zelfstandig naamwoord , kort stro Een bossie kort voor knijnestrooisel Een bosje kort stro als konijnenstrooisel
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kort , kort , bijvoeglijk naamwoord , aamborstig , VB: Ich been érg kort, ich heb 'n fleenke kaw op m'n boës.; kortademig kort; kort van aosem kortademig kort van aosem; kort gevës zién aangebonden (kort aangebonden zijn) kort gevës zién VB: Haaw dich mer eweg bié dè, dè ês hûi kort gevës.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kort , kort geleejje , krèk geleejje , pas
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kort , kört , kort. in de uitdrukkingen “die motte kört aon de lent zaoie”, of “die motte kört aon de lent ouwe”, “die moet je niet teveel ruimte geven”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
kort , kört , kort. in uitdrukking, “kört in de kaar”, “kort in de kar”, hij is gauw geraakt, gauw gepikeerd.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
kort , kört , 1. bn., kort (van afmeting). Die broek is te kört. In Uitdr.: IJ is kört veur de konte ‘hij is driftig’. Zie ook: körtan-ebunnen; 2. bw., kort (van tijd). Ik wazze maer kört bi’j mien moe. ‘t Is kört dag ´er is weinig tijd meer’. Ie mutt wè kört maken ‘geen lang verhaal houden’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kort , kort , in kortmâke kleiner maken , Groot gèld kortmâke. Geld wisselen in kleinere waarden.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kort , kort , korter, kor(t)ste , 1. dichtbij 2. kort 3. snel uit elkaar vallend , Dae haet de stróntj kort bie ’t hert zitte: hij is kortaangebonden. Haoj dich kort bie de gróndj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kort , kórt , bijvoeglijk naamwoord , kórte , kort; kórt van aom – kortademig
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kort , kòrt , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , kort; uitdrukking : zenèège te kòrt doen - zichzelf (financieel) benadelen; zelfmoord plegen; gez. Pierre van Beek –  kòrt in de kèèr - kortaangebonden, lichtgeraakt, uit zijn humeur (Tilburgse Taaklplastiek 184); Interview met de heer De Kok (1978) – “Bij de Brandweeer daor wèrd, daor moese we vergaadere èn ik wonde in de Sint Annastraot, dus kòrt in de buurt. (transcriptie Hans Hessels 2014); Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996): superlatief zie kòrst; WBD (III.2.1:363) 'kort van nat' = kort koken
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal