elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: krabber

krabber , [tuin- of landbouwwerktuig] , krebber , (mannelijk) , krabber, werktuig om onkruid uit te roeien.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
krabber , krabbers , (Oldampt); personen die de aardappelen uit den losgewoelden grond opzoeken en in korven werpen. Meestal is dit vrouwenwerk; vandaar de naam krabsters.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
krabber , krabber , ijzer waarop men de voetzolen afschraapt vóór men het huis binnentreedt, voetschrapper; ook Oostfriesch. – Zie ook: krabben 1.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
krabber , krabber* , bij v. Dale: voetschrapper.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
krabber , kràbr , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kràbrs , kràbrken , drietandige wiedvork
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
krabber , krebber , m , haaks omgebogen riek.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
krabber , krabertje , apparaat, waarin het veiligheidsscheermesje
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
krabber , krėbber , mannelijk , krėbbesj , krėbberke , krabber.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
krabber , krèbber , 1) omgebogen ijzer waarmee de oven wordt leeggehaald; 2) metalen bus met scherpe onderrand, gebruikt om de losgeweekte varkenshuid te verwijderen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
krabber , krabber , kraber , de , krabbers , (Midden-Drenthe, Veenkoloniën, Zuid-Drenthe). Ook kraber (Veenkoloniën) = 1. iemand die krabt, een dier dat krabt Die kat is een krabber (Emm) 2. hak, soort vork of hark met 4 brede lange tanden die haaks op de steel staan, ook soort sloothaak (Zwig) of soort hark om veen los te maken (bu), Met de krabber trökken ze de mes van de wagen (Dal), Een deurhouwer was een meertandige krabber (Hgv), Even met krabberie deur toen tuinharkje (And), As de ruumhaak het niet kun doen en der aordig polten inzaten, haj een krabber neudig (Sle), Ik bin veur de leste keer mit het krabberdien deur de eerappels west krabber met drie platte tanden, de steel even lang als het hofharkien (Zdw), zie ook krauwel 3. schraapwerktuig Een krabber veur zwienen slaachten (Pei), Een (ies)krabber veur de autoroeten (Dwi), Een krabber um vaarf of te krabben (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
krabber , krabberke , scheermesje , Ge moet ûtkiike dég'ge gin kraase in'new geziecht kré van dé krabberke meej't schèère. Je moet uitkijken dat je geen krassen in je gezicht krijgt van dat scheermesje met het scheren.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
krabber , krabber , krabbe , zelfstandig naamwoord , de; 1. kleine schoffel aan een gebogen en teruglopende buis, zodat het scherpe deel in de richting wijst van degene die schoffelt 2. bep. gereedschap met drie of soms meer gebogen tanden aan een stok; ook wel met drie zulke ‘uiteinden’ aan een steel, gebruikt om onkruid mee te verwijderen en/of de grond mee los te maken, kleine of grotere cultivator 3. schraapijzer 4. bep. gereedschap bij de huisslacht: handvat met daaraan een onderdeel in de vorm van een kopje, waarmee men het haar van de door kokend water geschroeide huid van het varken streek 5. mesthaak 6. sloothaak 7. zie turfkrabber
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
krabber , krebber , zelfstandig naamwoord , krebbers , krebberke , 1. werktuig om te krabben, krabber, schrapijzer 2. scheergereedschap/-mes
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
krabber , krebber , zelfstandig naamwoord, mannelijk , krebbers , krebberke , krabber
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal