elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: krat

krat , kret , (Ommelanden) = ijnspan (Oldampt enz.); soort van dubbelen disselboom waartusschen het paard loopt wanneer er één voor den wagen wordt gespannen. “Terwijl … bij Winneweer uit de kerk te Loppersum huiswaarts reed, geraakte het kret uit den wagen los, het paard liep voort, doch het rijtuig, nu zonder bestuur”, enz. Die beide stokken heeten, (ook in geschrifte) kretstokken: “Zijn zwager te Zuurdijk zullende bezoeken, gleed de eene kredstok uit”, enz. (1881). – Hetzelfde als het verouderde gewestelijk lamoen, lemoen. Vgl. krat 2 bij v. Dale, alsook: kraite.
toestel in eene gracht of ander water, bestaande uit twee rechtopstaande palen met hooger en lager geplaatste dwarslatten, waarop de plank rust die van de huiszijde wordt aangebracht, en bounplank genoemd wordt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
krat , kraite , soort van slede, waarvan de visschers aan den Dollert zich bedienen om zich over het slijk voort te schuiven. Oostfriesch kreite, de hooge zijstukken, het zijhek van een hooiwagen, ook: een lichte uit latwerk bestaande groote bak, voor het vervoer van turf, gras, enz.; oorspronkelijk was beide vlechtwerk. – v. Dale: krat (gewestelijk), korf van wilgen gevlochten; Kil. krat = kap van een wagen, van wilgentakken, met linnen bespannen; kratte = korf; Middel-Hoogduitsch kratte, gratte, Oud-Hoogduitsch cratto = korf, draagkorf; Angel-Saksisch crät (wagen), Middel-Oostfriesch krait; Latijn crates = horde, staketsel van teenen gevlochten, vlechtwerk.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
krat , krat , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , zie kret.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
krat , kret , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Krat. Zie de wdbb. – 1) Het loshangend achterschot van een boerenwagen (hooiwagen, Hgd. Leiterwagen), dat neergelaten kan worden. Gewoonlijk het achterkret genoemd. 2) De losse zitbank vóór aan een boerenwagen die met ijzeren kettinkjes aan de zijladders of boven aan het voorschot is vastgemaakt. Meestal echter vormen kret en voorschot één geheel, zodat men het voorschot er tegelijk met het kret uitneemt. Dit kret heet ook wel voorkret. Het bovenstel van een wagen bestaat uit voor- en achterkret, zijladders en buik.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
krat , kret* , vergel. “krat” 2 bij v. Dale = loshangend achterschot van een wagen, of (gewestelijk verouderd): voorbank op een boerenwagen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
krat , kret , zelfstandig naamwoord ’t , 1. Voorste zitplaats van een boerenwagen. Vgl. Fries it kret. Het woord is een bijvorm van krat. 2. Schertsend voor zitplank (met ronde opening) van de ouderwetse plee of het ‘huisie’. Zegswijze op ’t kret zitte 1. In aanzien zijn, een belangrijke plaats innemen. 2. Zijn schaapjes op het droge hebben. 3. Op de w.c. zitten. – Op z’n kret zitte, op zijn gat zitten, luieren.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
krat , krat , de, het , kratten , krat Mien buurman kan hiel wat ophebben veurdaj marken kunt dat e genög had hef; die giet veur ’n krattie bier niet umliggen (Wed), Op die brulfte bint hiel wat kratties bier um de klinke gaon (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
krat , kret , het , kretten , (Kop van Drenthe) = houten raam als opzetstuk op oogstwagen (Kop van Drenthe) Het kret kwam op de waogen om heui te haolen (Een), zie ook juk
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
krat , kradde , de , kradden , (Zuidoost-Drents zandgebied) = pittig, vinnig iemand Een kradde van ’n wiefien (Oos), Wat een kradde van ’n kereltien, die zit overal met het bekkien tuschen (Sle), zie ook krabbe, frabbe
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
krat , krot , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (N) = glad, vlak, effen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
krat , krat , zelfstandig naamwoord , kratte , krattie , achterschot van boerenwagen De jonges reeje stiekem innet krat mee De jongens reden stiekem mee, hangend aan het achterschot van de boerenwagen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal