elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: krediet

krediet , kêrdiet , kediet , krediet. Zóó noemt men te Veendam, Wildervank en de Pekela’s de gelegenheid voor jongelingen, om, bij afwezigheid der ouders, met de dochter in aanraking te komen. Weet men dat de oude lui een avondbezoek afleggen, dan komen er ook wel kennissen bij, en is het al spoedig bekend: doar of doar is kêrdiet. “– op kerdiet bie ’t nuverst wichtje” = een avond naar het lieve meisje gaan wanneer zij alleen thuis is. “Wijst nog wel dou we veur ons trauen altied mit nander uutgongen soavens op krediet noa de wichter en ’s hars noa de marken?” – Ook voor: vertrouwen, in: is gijn kerdiet op ’t weer, als het weder, bij zomerdag, zeer onbestendig, trúbel, is. Ten opzichte van personen zegt men: ’k heb op hōm gijn kerdiet, bij v. Dale: voor hem geen krediet hebben.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
krediet , krediet , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , zie een zegsw. op doorlopen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
krediet , kediet , zie kerdiet *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
krediet , kediet , afwezigheid van de ouders, de dochters zijn thuis
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
krediet , kerdiet , zelfstandig naamwoord ’t , Variant van krediet.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
krediet , krediet , kediet, kerdiet , het , Ook kediet, kerdiet (Zuidoost-Drents veengebied, db) = 1. krediet Je kriegt bij de bakker gien krediet meer (Eke), Die er goed genog veur is, kan op krediet kopen (Wsv), Hij hef wel krediet hij heeft flink wat geld (Dwi) 2. vertrouwen Daor heb ik niet veule krediet in (Hgv), ...op (Row), Dei man hef gien krediet meer men heeft niet veel vertrouwen meer in hem (Nsch) 3. vrijaf, gezegd van een huis, waar jongelui oppassen (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën, Midden-Drenthe, wb) Zuw door vanaovend ies hengaon? Der is kediet. De aolden bunt vort (Bov), Wij moeten vanaovend op krediet we moeten gaan oppassen (Klv), Wat giet het daor heer, de wichter kunden wel kediet hebben (Gas), zie ook lös hoes
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
krediet , krediet , krediet, vertrouwen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
krediet , krediet , kerdiet , zelfstandig naamwoord , et 1. vertrouwen dat men heeft in de mogelijkheid tot betalen door een bep. onderneming of persoon, het genegen zijn om te lenen aan of om een betaling later te laten plaatsvinden 2. het vertrouwen anderszins dat men heeft in iets of in een persoon
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal