elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kub

kub , kubbe , voorwerp van gevlochten teenen waarin de gevangen bot voorloopig wordt bewaard; Oostfriesch kübbe, küb. Vgl. kuip en het Middel-Hoogduitsche kobe = bak, vaatwerk, enz.; Hoogduitsch Kübel = houten, meestal open vat.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kub , kub , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Bij visssers. – 1) Van tenen gevlochten aalkorf, die van achter met een soort van stop gesloten is. Als de kub vol aal is, neemt de visser de kubstop er uit, om de vis uit de korf te kunnen storten. 2) Het achterste gedeelte van een fuik; dat deel waarin de aal gevangen wordt. Deze kub zit aan een simmetje (de kubsim), dat aan de kubstok wordt gebonden om de fuik vast te kunnen zetten. – Vgl. kubboot en kubtouwtje. – Kub, kubbe is ook elders gewoon; zie de wdbb.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kub , kubbe* , vgl. het Hoogduitsch Kübel.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kub , kub , deel van fuik; kubben, ruimten tussen dorsvloer en zijmuur
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
kub , kubbe , de , kubben , (Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. achterste deel van een fuik (Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe) As de aol löp, zit der atmit wel zo’n veertig pond in de leste kubbe (Hav), As de vis deur de kubbe is, koomt ze der niet weer uut (Ker) 2. deel tussen de stalpalen en de buitenwant van een boe, dat diende als voederbak (Zuidoost-Drents zandgebied, hz) 3. afdak, uitbouw (Zuidoost-Drenthe), zie bij kubbing, ofkubbing
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kub , kubbe , soort fuik, gevlochten van wilgenhout
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kub , keuve , kuve, kieve, kubben , zelfstandig naamwoord , (mv.) de; elk der plankjes die onder de poten van paarden kwamen en met riemen werden vastgemaakt, nl. om wegzakken in het veen te voorkomen, ook: een soort schoen van stro met dezelfde functie
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kub , kubbe , kibbe , zelfstandig naamwoord , de; achterste deel van een visfuik
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal