elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kwel

kwel , kwelle , kwelling, smart. Vergelijk: keur.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
kwel , kwel , een houten voorwerp dat men paarden om een der voorpooten klemt, ten einde ze in de weide te houden, beenblok, paardekluister. Engelsch to quell = beteugelen, bedwingen, tegenhouden, temmen. – Met de beteekenis van: kwelling (= verdriet) in het Spreekwoord: Dei de keur het, het ook de kwel (die de keuze heeft, heeft ook de kwelling) = veel keuze maakt het kiezen moeilijk. Drentsch De de keur hef, hef de kwelle; Westfaalsch Bai de wål het, het ock de kwål; Keulen: Wär de wahl hät, hät och de qual, Hoogduitsch Wahl macht Qual.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kwel , kwel* , Hoogduitsch Wahl macht Qual; bij v. Dale (4e druk): des eenen kwel doet d’ander wel; die de keur heeft, heeft de kwel.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kwel , kwël , vrouwelijk , kwëlle , kwëlke , bron.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kwel , kwel , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = dargachtige, zachte ondergrond (Zuidoost-Drents zandgebied) Der zitten van die kwellen in ’t stroom (Sle), Ze mussen de fundementen wal anderhalve meter diep oetgraven, umdat daor een kwel zat (Zwin), Tussen het veine zat seins een laogie modder, dat was niet bruukbaar en dat nuumden ze kwel (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kwel , kwel , de , kwellen , 1. kwelling, ellende Daor hef e nog zolang kwel van had (Sle), Die ziekte dat is ’n kwel veur die man (Klv), Jan het aaltied kwellen in de maoge (Vtm), Het is daor allemaol kommer en kwel ellende (Een), zie ook kwelling 2. smart (dva) *Aj keur hebt, hej kwel ok (Coe), of Wel keur het, het kwel kiezen is moeilijk (Eel)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kwel , kwellen , kwellegies , meervoud , (Zuidoost-Drents veengebied). Ook kwellegies (Zuidwest-Drenthe, zuid) = soort blauwe pruimen Kwellen bennen blauwe proemen, niet zukke dikken (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kwel , kwelle , kwel , zelfstandig naamwoord , de; bep. overgangslaag tussen het laagveen en het zand eronder
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kwel , kwelleke , zelfstandig naamwoord , slokje (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal