elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ladde

ladde , ladden , zekere gewassen in slooten en vaarten te Ter Apel; ladden trekken = uittrekken van mierixwortel, gras, onkruid, enz. Voordr. van B. en W. van Groningen tot vaststelling der conditiën van verhuring der zoogenaamde Ter Apelervenen (1876); “Ieder huurder zal jaarlijks in de maand Augustus het hoofddiep in de wijken nevens zijne plaats van ladden zuiveren”, en verder: “De huurders van naast elkander gelegen plaatsen verpligten zich over en weder om elkander behulpzaam te zijn in alle werken, als opsplitten van het veen, inleggen en opschoonen van diepen en wijken, raaijen, slooten, ladden trekken”, enz. Zie ook: latten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ladde , ladden , (alleen meervoud): een woekerwaterplant, ook in geschrifte zoo gespeld; het uitroeien er van heet (ook officieel) ladden trekken.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
ladde , ladden , larren , bepaalde waterplanten
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
ladde , ladde , lade, laar, lare, larre , de , ladden , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook lade (bet. 2:Midden-Drenthe), laar (Midden-Drenthe in bet. 5.) lare (Kop van Drenthe, bet. 2), larre (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën, Midden-Drenthe, bet. 2) = 1. lager gelegen, moerassig stuk land (Zuidoost-Drents zandgebied) Der zit ladden in het land (Sle) 2. dikke laag planten of plantenresten in of op het water (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe) Der lag een dikke lade over het waoter, aj niet beter wussen, zuj der zo over lopen (Eex), Waterkrikkies nusselt meisttied in de ladden (Bco), Bij het vissen kuj het snoer soms vaste in de ladden hebben (Coe), Wij kunt die sloot haost niet schoon kriegen, der zit een dikke ladde in (Bor), ook als dikke laag Ik heb zuver een ladde op de tong laag (Rol), Der zit een lare gras op (Zui) 3. smerige vlek op de huid, ontstaan doordat men zich steeds niet (goed) wast (Midden-Drenthe) Hij hef glad een laar over zuch (Gie)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal