elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kloof

kloof , kloove , (vrouwelijk) , klooven , [weinig gebruikelijk] kloof.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
kloof , kloove , (vrouwelijk) , klooven , kloof.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kloof , kloof , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Bij molenmakers. De schuine blokken hout, die van een balk worden gekloofd bij het maken van spits toelopende voorwerpen (b.v. een molenroede). Zijn de kloven goed, dan worden zij voor wiggen en andere zaken gebruikt; meestal is het echter niet meer dan brandhout. || Dertig greenen kloven, Invent. molenmakerij (Zaandijk, a° 1846), Zaanl. Oudhk.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kloof , kluef , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kluewe , kluefken , kloof
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kloof , kleuf , kleuve , kleufke , groef, groeven, kleuf in de hând groef in de hand.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kloof , kleuf , kleuve, klove, kloof , de , (Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe). Ook kleuve (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), klove (Zuidwest-Drenthe, noord, Veenkoloniën), kloof (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = kloof De eerste dag op de persmachine heb ie gauw last van kleuven in de handen (Bco), Ik hebbe der kleuven en kenen van in de haand (Hol), (fig.) Der zit een hiele kleuf tussen dat komp nooit weer goed bij onenigheid (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kloof , kleúf , kloof, spleet.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kloof , klove , kloof.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kloof , kleuve , kleuf, klove, kloof , zelfstandig naamwoord , de; 1. spleet, insnijding 2. kloof in de huid 3. uitsparing of uitgegraven deel in opgetast hooi in een hooivak 4. kloof in bergachtig gebied
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kloof , klôôf , zelfstandig naamwoord , klôôve , klôôfie , huidkloof Hij ha’ diepe klôôve in z’n hande vant peesteeke en dee daer hêête pek op ommet te laete beetere Hij had diepe huidkloven in zijn handen van het bieten delven en deed daar warme pek op om het te laten genezen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kloof , kluuwef , kloof
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kloof , klove , (zelfstandig naamwoord) , kloof, barst.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kloof , kleuf , zelfstandig naamwoord , blok hout (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal