elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: leveren

leveren , levêrn , voor: verrichten, uitvoeren; dat zel wie wel gau levêrn = dat zullen wij gauw klaar spelen; wel het hōm dat leverd? = wie heeft dat gedaan? (in ongunstigen zin); dat is leverd, of: ʼt is mie leverd = dat voorwerp, die prijs, enz. is zoogoed als in mijn bezit. – Als er van een meisje, dat de bruid is, wordt gesproken, hoort men in bijzondere gevallen: zij is wel verkoft moar nog nijt leverd, zooveel als: zij is verloofd, maar het trouwen kan nog wel overgaan. Vgl. geleverd. Friesch: Dy faem is forkocht, mar yet ôflevere.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
leveren , geleverd , in: ʼt is mie geleverd = ʼt ontgaat mij niet, ʼt wordt mijn eigendom; ik bin geleverd = ik moet het noodwendig verliezen. Eigenlijk zooveel als: aan den vijand overgeleverd, in zijne macht. – Ook = gefopt, bedrogen; Vgl. ʼt Hoogduitsche verloren und geliefert, alsook art. verkoopen bij v. Dale, en: leveren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
leveren , geleverd* , gefopt, bedrogen, ook elders. Hoogduitsch: verloren and geliefert, bij v. Dale: men kan hem verkoopen en leveren = verraden en verkoopen = foppen zonder dat hij ’t bemerkt.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
leveren , leveren , doen: wel het hom dàt leverd? = wie heeft dat gedaan of uitgevoerd? (meestal in ongunstigen zin), dat zel’ we wel gauw leveren!, vergel. geleverd * (bldz. 118) en ook draien *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
leveren , liääveren , zwak werkwoord , leveren
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
leveren , leawrn , werkwoord, zwak , leveren, aandoen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
leveren , leevere , leeverde, haet of is geleevert , leveren. Dat höbste ’m fien geleevert: dat heb je goed gedaan. Hae is geleevert: hij is uitgespeeld.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
leveren , levern , lèvern , zwak werkwoord, overgankelijk , Ook lèvern (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. leveren Ken ie mie dai rok veur zaoterdag levern? (Vtm) 2. opbrengen De rogge levert van het jaor slecht (Ruw) 3. doen, klaarspelen Dat hej hum mooi leverd (Gro), Wie zul dat elèverd hebben? (Flu)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
leveren , livveren , leveren, afleveren. vande week kunnen we de eijer livveren, deze week kunnen we de eieren leveren.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
leveren , leveren , leveren
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
leveren , lèèvern , leveren. Veur welke pries kun iej ze mien lèèvern?
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
leveren , liévere , werkwoord , liéverde, geliéverd , leveren , VB: Dat môs te mich neet mie liévere, huurs te?
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
leveren , livvere , leveren
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
leveren , levere , levertj, leverdje, geleverdj , 1. leveren 2. flikken
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
leveren , laevere , leveren
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal