elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lijdelijk

lijdelijk , liedelk , zacht, niet streng; de winter was zacht en liedelk = licht te verduren. Gron. liedelk, zegt men van iemand die toegeeflijk is, of zonder klagen of morren het lijden verdraagt, die geduldig in ’t lijden, lijdzaam is.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
lijdelijk , liedêlk , liedeliek , (lijdelijk), voor: toegeeflijk, lijdzaam, geduldig, zonder klagen of morren veel kunnen verduren of lijden; ʼt kind is altied liedêlk, tegengestelde van: lastig.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
lijdelijk , liederlek , lijdend, als een lijder; als versterkend bijwoord (zie dik *, bldz. 511) ook elders.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
lijdelijk , liedlek , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , lijdelijk
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
lijdelijk , laaielek , bijvoeglijk naamwoord , Goed te lijden, draaglijk, redelijk | ’t Is laaielek weer.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
lijdelijk , liedelijk , liedelk, liederlijk , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook liedelk (ti, wm), liederlijk (Zuidwest-Drenthe, noord, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën) = 1. lijdelijk De vrouw mus liedelijk toouzeein hoou of heur kind vortkwiende (Eex) 2. lijdend, er slecht uitziend (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën, Kop van Drenthe) Ze zug der liedelijk uut (Eco), Dat mensk is wat liedelijk, vaok zeik (Nor) 3. niet streng, mild (wm) De winter was zacht en liedelk 5. in hoge mate (Zuidoost-Drents zandgebied) Het kind wol het liedelijk gèern hebben (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lijdelijk , liedelik , bijvoeglijk naamwoord , 1. er slecht, ziekelijk uit ziend 2. lijdzaam, gelaten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal