elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: madelief

madelief , melijfkes , melaifkes , madeliefjes die in de tuinen gekweekt worden, Bellis perennis. De kleine madelief, die in ’t wild groeit, heet in ’t Oldampt landjebloum, landjeblōm, in de Ommelanden vennebloum, in Oostfriesch fenneblöme. Ons: melijfke echter Oostfriesch mallêfke, marlêfke, mooileevke, Hoogduitsch Marienliebchen, Massliebe, Nederlandsch madelief (= lief bloempje der made of weide), Neder-Betuwsch meizuuntje. Volgens v. Hall ook bekend onder den naam van: grasbloem, maagdelief, Margariethen, meizoetjes, meliefkes. Neerl. Plantensch. bl. 133.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
madelief , madelief , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , vgl straatmadelief.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
madelief , melijfke* , Hoogduitsch ook Massliebchen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal