elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mannetje

mannetje , mainje , (Hoogeveen) voor: meisje, dienstmeid; “haar eer en fatsoen gedoogt toch niet, dat zij ʼt mainje wegëjaagt.” (Dr. Mosaïk 1 St. p. 32); mooi mainje = lief meisje; mien mainje = mijn meisje. Zal staan voor: mannetje. Vergel. jong.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
mannetje , mainje , manje, maanje, mantje , (mannetje), in: ’t lutje mainje wezen, zooveel als: na eerst een hoog woord gevoerd te hebben en zich brutaal te hebben gedragen, gaarne de minste wil wezen, wanneer hij behoorlijk op zijne plaats is gezet; ’t is’n mainje = hij is mainje = hij is een jongen met meisjesaard; onze mainje (ook: onze moat, of: oomkool) het weer in de sloot zeten = de ondeugende jongen heeft weer een nat pak thuis gebracht. Heeft de vrouw de broek aan dan zegt men van haar man: hij ’s mainjeminst, (ook: hij ’s kind van hoes) dat ook, in ’t algemeen, zooveel beteekent als hij heeft niets te bevelen. Drentsch (Hoogeveen) mainje = meisje, vrijster. – Het woord wordt ook liefkoozend tegen dieren gebezigd.
maanje, voor: manneke, mannetje, als vriendelijk woordje voor jongens en meisjes. Vgl. aa.
mantje, in = hij ’s ’t mantje = hij is de man, dat is hij is de baas.
mantje bie kerel = de een bij den ander, jong en oud, geen uitgezonderd; eigenlijk zooveel als: klein en groot; mantje bie kerel het de messels (mazelen); mantje bie kerel het ’n bordje an deur. Zie ook: man bie kerel.
mantjes, voor: gekheden, gebaren die een ander kunnen hinderen, bewegingen om iemand te sarren; mōst mie gijn mantjes moaken! = gij moet mij niet lastig zijn, den gek niet aansteken, of ik zal u! Holsteinsch mantjes, mäntjes = gebaren met de hand, grimassen om belachelijk te maken; Oostfriesch mannekens, of: mantjes maken = allerhande bewegingen, sprongen maken, als bv. een ledepop, door middel van de vingers schaduwbeelden op den muur maken, enz. Vgl. ’t Fransche mannequin (ledepop), van het oude: manneken = mannetje. Zie ook Laurill. bl. 28.
noakende mantjes (noakende mannetjes) = talhouten van geschild eikenhout.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mannetje , mainje* , manje, maanje , eigenlijk “mantje” = mannetje; ook liefkoozingswoord tegen dieren.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
mannetje , mènneke , m , mannetje, jongetje.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
mannetje , maanje , mannetje, ventje
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
mannetje , mènneke , zelfstandig naamwoord , mannetje. Zegswijze: “As ge mar afschiet, dan zèdde ’t mènneke.” Als je maar goed betaalt, dan ben je de man. Voor kinderen gebruikt men vaak klèèn manne. “Hoeveul klèèn manne hèdde gij?”“Twaalef”.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
mannetje , männegie , mannetje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
mannetje , mannegien , het , mannegies , 1. kleine man Dei grote vrouw har mar zo’n klein mannegien (Bov) 2. de geschikte persoon Ik zal je wal een mannegien sturen (Sle) 3. mannetjesdier Die vogel, is dat een mannegien of een vrouwgien? (Sle) 4. verbindingsstaaf op een zeis tussen de zeisboom en de beugel. Ook de verbinding bij een spanzaag tussen de middenbalk en het touw (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) 5. deel van een ploeg, nl. de pen, die in de gaten van de ploegboom werd gestoken om de ploeg te stellen (Zuid-Drenthe) of: twee rechthoekige, rechtopstaande plankjes, waartussen de ploegboom komt te liggen (hy:Zuid-Drenthe), maar ook: twee palen op voorplank bij wipkar (Zuidwest-Drenthe, noord, veroud.) of: deel van een kruiwagen An de kaore zit twei mannegies (Ruw) 6. dat deel van twee delen, dat in een ander deel wordt geschoven of gedrukt etc., zoals een deel van een pik-pak knoop, een koppeling, een klinkstel van een deur, een flens van een buis etc. Een stekker is een mannegie (Erf) *Der gung een mannegien deur het wad / Hie har een kannegien op zien nak / As e der oet drinken wol / Mus e der eerst een gattien in klinken Antw. een ei (Sle); Er gunk een mannegien aover de brogge / Met zeuven katten op de rogge / Hoeveule poten gungen er aover de brogge? Antw. geen één, want een man heeft geen poten en de katten werden gedragen (Mep), z. ook bij man I
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mannetje , mânnechien , mannetje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
mannetje , ménneke , mannetje, kind , Ne mèns die iet ôn de klééne kant is ûtgevalle, dôr zègge ze ménneke teege. Iemand die iets aan de kleine kant is uitgevallen, die noemen ze een mannetje.
Ocháérm, hi dé ménneke z'n vuutje gebrooke, hit'tie'jer meej tusse de spiike gezeete? Ach, heeft dat kind zijn voetje gebroken, heeft 't er mee tussen de spaken gezeten?
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
mannetje , mannegien , zelfstandig naamwoord , et 1. jongetje, mannetje, ook: manspersoon op grote afstand gezien 2. mannelijk exemplaar 3. penis van een jongetje 4. dat onderdeel van bep. verbindingen dat in het andere deel wordt gestoken 5. makelaar van een uilenbord
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mannetje , mannechie , zelfstandig naamwoord , 1. mannetje 2. aardappel met veel loof en slechte glazige knollen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
mannetje , [kleine man] , mènneke , mannetje
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
mannetje , mènneke , mannetje, jongetje
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
mannetje , mannetjen , stenen muurtje achter het (open) vuur.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
mannetje , menneke , man, zie ook man
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
mannetje , klaozeman , zelfstandig naamwoord , klaozemen , klaozemenke , mannetje van krentenbrood ook paeperkokeman(ne), wègkeman(ne) zie ook koekdinan, speklasieman(ne)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
mannetje , menderke , menderkes , (verkleinwoord) (Ospels) mannetje
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
mannetje , mènneke , zelfstandig naamwoord , "mannetje; verkleinde vorm van 'man', met umlaut; Kom mar gaa, mènneke. - Kom maar gauw, jongen. 1. kleine man, jongen, koosnaam voor volwassen man.n; R.J. 'menneke gao toch slaopen'; Cees Robben – Waor leej m’n schaors, troeleke..? .. Op d’n naoricht.... menneke... (19580118); GD06 èn dan klèèn mènnekes vur de vrouwestèmme. ; DANB et mènneke lópt bèrrevoets; ANTW. MANNEKE(N), Kemp. ook: MÄNNEKE(N) en MENNEKE(N) - vklw. van 'man'; Jan Naaijkens - Dè's Biks -  mènneke zelfstandig naamwoord  - mannetje; 2. van de mannelijke soort; Pierre van Beek –  mènnekeskneuter - mannetjesputter; N. Daamen - Handschrift 1916 – ""mennekus kneuter (een flinke man, krachtig en uit één stuk)""; Cees Robben – ’n menneke... of wel ’n wefke (19570525); Henk van Rijen – 'Zôo ut mènneke, zôo ut gespènneke ' - De vakman herkent men aan zijn gereedschap. Stadsnieuws -  Meej zon pak aon zèède wèl et mènneke (030609) – Met zo'n kostuum aan kun je wel voor den dag komen. 3. deurwaarder; Van Beek - Bij een moelgevecht klonk het: ""Bij ons hebben de Mennekes nooit op de vloer gezeten lek bij jullie"". Dit stamt uit de dagen, dat het nogal eens voorkwam, dat bij beslaglegging door de deurwaarder alles in huis werd verzegeld en twee heren daar dan dag en nacht de wacht hielden, die men nog bovendien te eten moest geven ook. (Die twee wakers waren ""de Mennekes"".) (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgse uitdrukkingen afl. ?; 29 augustus 1959; Bijnamenboek Karel de Beer - de mènnekes = zonen Mutsaerts-v. Waesberghe (blz. 56); Henk van Rijen – belastinggaarders die in pension gedaan werden bij mensen die belastingschuld hadden, ter vereffening hiervan. 4. zangvogel; WBD III.4.1:24 'mannetje (ook manneke) ( = mènneke) - mannelijke zangvogel; 5. vis; WBD III.4.2:70 'mannetje' - mannelijke vis; 6. hond; WBD III.2.1:476: mannelijke hond; 7. kalf; WBD mannelijk kalf; 8. schaap; WBD 'ha mènneke', 'ha jónge', 'schaopke', 'woojke', wòjke' -; vleiwoorden voor het schaap; 9. meikever; WBD III 4,2:162 lemma Meikever met witachtige rug - Dit lemma bevat de specifieke benamingen voor een meikever die met meel bestoven lijkt te zijn. mulder – Tilburg; mulderke – Tilburg; molenaar – Tilburg; bakker – frequent in Tilburg; bakkerke – Tilburg; kapucientje – Tilburg, Goirle; manneke – frequent in Tilburg; wijfje, wijfke – frequent in Tilburg; Piet Brock, uit Vuurstintjes ketsen (1996) – Mölders/ Ge he't z'in soorten:/ 'nen bèkker of kappesien,/ 'n mènneke of 'n wèfke,/ dè kunde hil goed zien."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal