elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: meedoen

meedoen , metdoon , ter bezorging medegeven; mitdaon = medegegeven; Gron. mitdoun, en: mitdoan. – Ook = meedoen, wat anderen doen, ook Gron.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
meedoen , mitdoun , medegeven om te bezorgen; Drentsch metdoen; ʼk heb hōm de brijf mitdoan. Ook = mededoen, van de partij zijn; hij ken nijt mitdoun = hij heeft niet zulk eene groote boerderij, is niet zoo rijk, enz. als de anderen; hij dut (of: dait) nijt mit = hij wordt niet geteld, ʼt gaat alles buiten hem om.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
meedoen , mitdoun , medegeven, vgl. doun *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
meedoen , metdouen , dee met, metedaon , meedoen, meegeven. Dů wist et mi metdouen: je wilt mij in het ootje nemen. Eimaond wat metdouen: iemand iets meegeven.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
meedoen , metdoon , werkwoord , meedelen, meegeven
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
meedoen , meedoen , werkwoord , Ook: meevallen, helpen, er toe bijdragen. | Dat doet pittig mee. Een ding doet mee: hai het gien skuld an ’t ongeluk.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
meedoen , mitdoon , douch mit, haet mitgedaon , meedoen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
meedoen , metdoen , sterk werkwoord, (on)overgankelijk , 1. meedoen Dust doe mit of mouten wie ain aander vraogen (Twe) 2. meegeven Ik zal hum de bosschop mitdoen (Hgv), Ik zal oe tien gulden mitdoen, dan hej zat genog (Bro), Op die schoelen wordt de kiender hiel wat mit edaone meegegeven, daar leren ze veel (Dwij) 3. tegen anderen opkunnen, meetellen Dat wicht kan best metdoen telt mee of: past zich goed aan (Sle), Die kun mit het scheuvellopen aordig mitdoen meekomen (Koe), Ze kunt nich mitdoum mit de andern, ze hebt nich zoveul geld (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
meedoen , mitdoen , werkwoord , 1. meedoen 2. zich uitgaven veroorloven naar het luxe voorbeeld van anderen 3. meegeven (ook aan geld, kleren: door ouders aan een kind dat in het huwelijk treedt) 4. doen tegelijkertijd met iets anders
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
meedoen , mètdoon , meedoen , Neet zeivere, mer mètdoon!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
meedoen , mètdoôn , mètdoon , werkwoord , duit mèt, deej mèt, mètgedaôn/mètgedaon , 1. meedoen 2 . zich in het feestgedruis storten
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
meedoen , mejdoon , werkwoord , meedoen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal