elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: meenemen

meenemen , mitnemen , metnemen , (medenemen); iets makkelk kennen mitnemen = bij de gewone werkzaamheden nog andere verrichten en die verdiensten er van als in ʼt voorbijgaan in den zak steken.– Ook: op de reis iets koopen om eigen huisgenooten, of aan de kinderen, waar men komt, mede te deelen; moeke nemt mie doch wat mit? voader nemt altied ʼn pōnd endelkouk mit oet stad;tante het joe ʼn puiltje mit lekkers mitnomen. Ook voor: veel te duur laten betalen, woekerwinst nemen, voor een voorwerp, eene boodschap of voor eenige andere werkzaamheid; daʼs mitnemen van dei kerel = hij heeft mij veel te veel afgenomen; ik wil mie nijt mitnemen loaten = dat wil ik niet betalen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
meenemen , mitnemen* , metnemen , metnemen, zie ook met * 2.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
meenemen , meeneme , werkwoord , Ook: altijd gebezigd i.p.v. meebrengen. | As je toch nei de slager gane, neem den voor moin effies ’n paar koelappies mee.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
meenemen , mitnumme , noum mit, haet mitgenómme , meenemen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
meenemen , metnemmen , nam met, met enömmen , meenemen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
meenemen , metnimmen , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. meenemen Wi’j mai nog even een kilo sukker metnemen oet het winkelie op de houk van de straot? meebrengen (Nor), Laot we mar even een glassie metnemen in de loop nog een borrel drinken (Klv), Een mooie naozomer is mooi mit eneumen (Wsv), Kan ik dat even metnimmen, ie kriegt het zo weer lenen (Nam), Kuj mij mörgen ok metnimmen hen Assen? (Gie), Ie magt niks van een aander mitnemen stelen (Uff) 2. beetnemen (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën) Die boer hef die koopman gooud metnömmen (Eex), Hie hef hum metnummen te veel laten betalen (Wee) *Metnimmen is goed veur het naobrengen meteen meenemen voorkomt nabrengen (Sle), ook Mitnemen is vrij van het naobrengen (Wsv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
meenemen , meejnèmme , meenemen , És ge de waoj af gô maoke moet'te 'n trèktang, nen hômmer én pikdraod meejnèmme. Als je de wei gaat afrasteren moet je 'n knijptang, hamer en prikkeldraad meenemen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
meenemen , mitnemen , werkwoord , 1. meenemen, met zich brengen 2. er even bij doen, erbij verrichten 3. als extra voordeel ervaren 4. beetnemen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
meenemen , metnemmen , meenemmen , (werkwoord) , meenemen. Uitdr.: Alles wa-j stiekem metnemt, blif later an oew vingers klèven.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal